Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Oost-Frankische rijk. Eerst werd zij door graven en sedert de 9de eeuw door aartsbisschoppen bestuurd; in 1212 verkreeg zij van Otto IV de rechten van een vrije rijksstad, welke door Koenraad IV werden bevestigd. In 1308 echter huldigde zij weder het gezag van den aartsbisschop en nog in 1364 werd zij door Karei IV en in 1580 door het Rijkskamergerecht als een bisschoppelijke stad erkend. Aartsbisschop Theoderik I en zijn opvolger Arnold II versterkten in de 13de eeuw de stad met muren. In 1473 verrees er een universiteit, maar deze werd in 1797 opgeheven. In 1634 viel ze in handen der Spanjaarden, maar de Franschen onder Turenne heroverden haar in 1645. Ook in 1674, 1668 en 1794 namen de Franschen haar in bezit; zij werd in 1801 aan Frankrijk toegekend en tot hoofdstad verheven van het departement Saar, doch in 1814 kwam zij weder in handen der Pruisen. In de geschiedenis is zij bekend door de bijeenkomst van keizer Frederik III met Karei den Stoute in 1473.

Trier, een voormalig Duitsch aartsbisdom en geestelijk keurvorstendom, telde op 8314 v. km. 280 000 inwoners. Het was verdeeld in een Opperen Nedersticht; van het eerste was Trier en van het tweede Koblenz de hoofdstad. Onder dat aartsbisdom behoorden de bisschoppen van Metz, Toul en Verdun en sedert 1777 die van St. Dié en Nancy. De aartsbisschop volgde in rang onmiddellijk op de keurvorsten. Hij had een jaargeld van i millioen taler. Volgens de legende is dit bisdom reeds in de eerste eeuw door Euscharius, Valerius en Maternus gesticht, hoewel de geschiedenis pas in 314 een bisschop Agritius vermeldt. Bisschop Maximinus (332 —349) verschafte een wijkplaats aan Athanasius. Eerst onder Hetti (814—847) komt Trier als aartsbisdom voor, dat zijn gezag uitstrekte over hetbisdom Toul. Radboud (883—915) verwierf voor zijn aartsbisdom de rechten van een graafschap, en Robert (930—956) maakte als bezitter van den oudsten kerkelijken zetel aanspraak op het recht om Otto I te kronen, hetgeen ook geschiedde. In 1315 echter erkende Trier het recht van Keulen. Theoderik 1 ontving in 969 van paus Johannes VIII het primaat in Gallië en Germanië. Balduin van Luxemberg (1307—1354), een broeder van koning Hendrik VII,werd aartskanselier van Gallië en Bourgondië, breidde zijn gebied uit, verbeterde den financieelen toestand, die onder zijn voorganger Diether III (1300—1307) zeer ongunstig was geworden, en vestigde een territorialen staat. Daarna ging het aartsbisdom door twisten en oorlogen sterk achteruit. In 1456 brachten de standen een wijziging in de verkiezing, waardoor de aartsbisschop van hen afhankelijk werd. Richard von Greifjenklau (1511—1531) stelde het eerst de vereering van den „HeiligenRok" in en verzette zich met kracht tegen de Hervorming. Johann VI von der Leyen (1556— 1567), nam de Jezuïeten in zijn aartsbisdom op, Jacobus III von der Elz (tot 1581) stichtte een collegie voor hen te Koblenz, Jofamn yi/(1581-1599)belastte hen met het onderwijs te Trier en stichtte in 1585 seminariën voor de opleiding van de geestelijkheid te Trier en te Koblenz. Philipp Christoph von Sötern (1623—1652) werd in 1635 door de Spanjaarden in hechtenis genomen en tot 1645 te Weenen gevangen gehouden. Onder Karl Kasper von der Leyen (1652— 1676) deed de abdij van St. Maximinus afstand van haar rijksvrijheid. De laatste aartsbisschop was Cle-

mensWenceslaus, hertog xmSaksen (1768-1802).Deze vaardigde in 1782 een edict van verdraagzaamheid uit ten gunste van de Protestanten. Gedurende den eersten Coalitieoorlog had het land veel te lijden van de invallen der Franschen, zoodat de aartsbisschop in 1794 de vlucht moest nemen. Toen hij bij den Vrede van Luneville (1801) zijn bezittingen op den linker oever van den Rijn aan Frankrijk moest afstaan,legde hij zijn waardigheid neder.Door een rijksbeschikking van 1803 werd het aartbisdom ten gunste van Nassau-Weilburg in een wereldlijk gebied herschapen. Reeds den 10den April 1802 was een nieuw bisdom Trier ingesteld en onder het aartsbisdom Mechelen geplaatst. In 1814 kwamen de tot het vroegere aartsbisdom behoorende landen weder aan Duitschland. In 1821 werd het bisdom Trier gesticht en aan den aartsbisschop van Keulen onderworpen. Het omvat ongeveer hetzelfde grondgebied als het aartsbisdom in de Middeleeuwen, alleen het gebied op den linker Rijnoever is kleiner. Bisschop Wilhelm Arnoldi (1842—1864) stelde in 1844 den Heiligen Rok ten toon. Na den dood van bisschop Eberhard (1876) bleef den bisschopstoel tijdens den kultuurstrijd onbezet. In 1881 werd Korum tot bisschop benoemd, onder wien in 1891 met toestemming van den paus opnieuw een tentoonstelling van den Heiligen Rok plaats had.

Triëst, in het Italiaansch Trieste en in het Sloveenscli Trst, een rijksonmiddelbare stad in het Oostenrijksch-Ulyrische kustland, is de belangrijkste haven en zeehandelstad van Oostenrijk. Zij ligt op 45°38' N. Br. en 13°46' O. L. v. Gr. in een bekoorlijke omgeving aan den voet van het Karstgebergte en aan de Adriatische Zee, welke hier de Golf van Triëst vormt, heeft met haar gebied een oppervlakte van 95,23 v. km. en vormt een zelfstandig Oostenrijksch kroonland.

Zij bestaat uit twee hoofddeelen, de Oudstad, om en op den met een kasteel gekroonden berg gebouwd, met onregelmatige, nauwe straten, en de Nieuwstad, langs de reede gelegen, met breede, regelmatige, elkander rechthoekig snijdende straten. Hier heeft men het groote kanaal, 372 m. lang, 28 m. breed en 4 m. diep, met 3 bruggen. Aan de Oudstad grenzen in het Z.W. de Jozefstad en de stadswijken St. Andrea en Chiarbola inferiore, in het Z. de wijk San Giacomo. Ook een aantal voorsteden sluiten zich onmiddellijk bij de stad aan. Door den aanleg van een tunnel onder den heuvel Della Fornace is een nieuwe verbinding tusschen de binnenstad en de zuidelijke en zuidoostelijke stadswijken tot stand gekomen.

Tot de openbare pleinen behooren: het Groote Plein met het marmeren standbeeld van Karei VI en de Maria-Theresiafontein, het Beursplein met het standbeeld van Leopold I, het Guiseppinaplein met het grootste bronzen standbeeld van aartshertog Maximiliaan, keizer van Mexico, het Stationsplein met een gedenkteeken ter herinnering aan de vereeniging van Triëst met Oostenrijk, het Postplein de Piazza Goldoni, het Leipziger Plein en de Piazza San Giovanni met een standbeeld van Verdi. Van de straten zijn het Corso, de Via Caducci, de Via del Acquedotto en de Via Stadion met een standbeeld van Rosetti de fraaiste. Ook zijn er breede kaden.

De belangrijkste kerk is de dom San Giusto, die zich ten Z. W. van het kasteel verheft, en in 1385 door vereeniging van 3 bouwwerken uit de

Sluiten