Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spaansch dichter, geboren den 24Bten December 1821 in het Baskische dorp Montellana bij Bilbao, legde zich sedert 1836 te Madrid toe op den handel, maar wijdde zich 10 jaar later geheel en al aan de letterkunde. Koningin Isabella benoemde hem in 1862 tot kroniekschrijver en archivaris van Biscaye, welke betrekking hij echter tengevolge van de omwenteling van 1868 verloor. Na dien tijd woonde hij te Madrid. Trueba was de meest populaire dichter van zijn tijd. Zijn gedichten, verzameld in het bij herhaling uitgegeven: „Libro de los cantaras" (8»te druk, Madrid, 1875) leefden in den mond van het volk en verschaffen hem den naam van „Spaanschen Béranger. Zij verheerlijken het Baskisch vaderland en onderscheiden zich door teederheid van gevoel en keurigheid van taal. Daarnaast schreef hij een groot aantal novellen, sprookjes en kluchten, waarvan wij noemen: „Cuentos de color de rosa" (2de druk, 1875), „Cuentos campesinos" (2de druk, 1862), „Cuentos de vivos y muertos" (3de druk, 1879), „Cuentos del hogar" (2ae druk, 1875), „Maria Santa" (1874), „Cuentos de varios colores" (1874), „Narraciones populares" (1875), „Cuentos de madres e hijos" (1878), „Nuevos cuentos populares" (1881), „De flor en flor" (1882), „El gaban y la chaqueta" (1884) en „Leyendas genealogicas" (2 dln., 1887). Zij vielen evenzeer in den smaak als zijn liederbundel en toonen duidelijk de reactionnaire gezindheid en de ultramontane sympathieën van den schrijver. Ten slotte noemen wij van hem de geschiedkundige romans: „El Cid Campeador", „Las hijas del Cid," „El redentor moderno" (1876), „Madrid por fuero" (1878) en „Arte de hacer versos" (1881). Hij overleed den 10den Maart 1889 te Madrid.

Trueba y Cosio, Telesforo de, een Spaansch dichter, geboren in 1798 te Santander, studeerde te Londen en te Parijs en werd attaché bij het gezantschap aldaar. Na zijn terugkeer in zijn vaderland stichtte hij in 1822 met anderen een academie, waarin zich alle jongere Spaansche dichters vereenigden. Te Cadix, waarheen hij in 1823 als aanhanger der Cortes de wijk moest nemen, schreef hij de blijspelen: „El veleta" en „Casarse con 60 000 duros", welke hem een plaats bezorgden onder de beste Spaansche treurspeldichters. Na de herstelling van het absolutismus in Spanje begaf Trueba zich naar Londen. Hier schreef hij in het Engelsch geschiedkundige romans over Spaansche onderwerpen, zooals: Gomez Arias" (1828) en „The Castilians" (1829); verder het geschiedkundig-biografische werk „Lives of Cortes and Pizarro" (1830), verschillende blijspelen en het geschiedkundig treurspel: „The royal delinquent". Het meest maakte hij echter naam met de zedenschildering „Paris and London" (1833). Nadat hij in 1843 naar Spanje was teruggekeerd, werd hij eerst procureur en daarna secretaris der Tweede Kamer. Hij overleed te Parijs den 4den October 1835.

Truffeis (Tuber) is de naam van een plantengeslacht uit de klasse der Zwammen (Fungi) en wel uit de onderklasse der Ascomyceten. Het omvat een aantal onder den grond groeiende zwammen met dradige zwamvlokken (mycelium) en vrij groote, knolvormige, vaak vleezige vruchtlichamen (peridia), welke niet hol, maar op de doorsnede door gemarmerde aders in onregelmatige, massieve kamers verdeeld zijn. Men onderscheidt op de doorsnede der

schors, een luchtvoerend weefsel, een dicht weefsel en het fertiele weefsel. Elk dezer weefsels is «en zoogenaamd pseudoparenchvmatisch, daar het bestaat uit meer of minder dicht op elkaar gevoegde myceliumdraden. Het fertiele weefsel bevat de ascusvruchten; dit zijn mikroscopisch kleine fleschvormige lichaampjes, die de sporen ten getale van 4 in den regel, bevatten. Vaak zijn de sporen aan de buitenoppervlakte van stekelige aanhangselen voorzien. Bij volkomen rijpheid verdwijnt het sterile weefsel en liggen de sporen geheel vrij.

De truffels zijn saprophytische planten, d.w.z. zij leven van vergane stoffen; zij spelen zelfs een voorname rol in de plantenwereld, daar deze zwammen zoogenaamd Mykorrhizen vormen. Zij omspinnen met hun mycelium verschillende plantenwortels, zonder dezen schade te berokkenen; deze wortels schijnen dan door deze zwammen in staat te worden gesteld beter het voedsel uit den bodem op te nemen. Welk voordeel de zwam zelf van deze symbiose heeft, is nog niet uitgemaakt; cultuurproeven hebben echter wel bewezen dat sommige planten zonder deze zwamvegetatie niet kunnen bestaaa.

Dit geslacht telt omstreeks 20 soorten, die op den gematigden gordel van Europa, vooral in Frankrijk en Italië, maar ook in Duitschland en Engeland, voorts in Azië, Afrika en Noord-Amerika voorkomen. De truffels, sedert de dagen der Oudheid wegens geur en smaak zeer gezocht, zijn zeer voedzaam. Zij groeien bij groepen onder den grond, doorgaans steeds op dezelfde plaatsen (truffieres). Deze onderscheiden zich in Frankrijk door een kalkachtigen of door een uit kalk, leem en zand bestaanden bodem, terwijl zij in Duitschland vooral een humusrijken, vruchtbaren met zand vermengden grond met een onderlaag van kalk en leem bezitten. De aanwezigheid van boomen is hierbij een volstrekte voorwaarde. Worden deze uitgeroeid, dan verdwijnen de truffels, maar zij keeren terug, zoodra na verloop van jaren de grond er weer met houtgewas is begroeid. Inzonderheid komen zij voor onder eike- en kastanjeboomen, hazelnoten, beuken, berken, populieren, wilgen, platanen, walnotenboomen, iepen, vijgeboomen, witte hagedorens, lijsterbessenboomen, rozen, ahornen, linden, acacia's, dennen en vlierboomen. Men vindt ze rondom deze boomen, zoover de wortels reiken, maar niet zoover de schaduw zich uitstrekt en vooral op zulke plaatsen, waar de boomen ver van elkander verwijderd zijn. De truffelplaatsen zijn min of meer cirkelvormig, doch onvruchtbaar in het midden. De jonge truiels zijn niet grooter dan erwten, bleek of roodachtig van kleur en hebben een jaar noodig om rijp te worden. Tot rijpheid komen in den herfst en winter alleen T. brumale en melanosporum, en in de lente en den zomer T. aestivum en mesentericum. Laatstgenoemde, in het voorjaar onrijp verzameld, dragen den naam van Meitruffels.

De truffels worden door daartoe afgerichte honden of door zwijnen opgespoord. De truffeljacht door middel van deze dieren vindt men het eerst vermeld door Platina in 1481. Zij heeft plaats in de maanden November tot Februari, en de truffels worden meerendeels vervoerd naar Lyon, Parijs en het noorden van Europa, nadat zij eerst afgeborsteld of afgewasschen, in luchtdichte bussen gelegd of in wijn gekookt en in olie ingemaakt zijn. De Fransche truffelhandel dagteekent van 1770 en strekt zich uit over het midden en zuiden van Frankrijk en bloeit

Sluiten