Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer samengestelde werktuigen. Het zaaien geschiedt met de hand of met behulp van een min of meer samengesteld toestel of machine. De aarde wordt door aan de voeten vastgemaakte plankjes of door een tuinwals (figuur 30) aangedrukt. Dikwijls worden voor het planten gaten gemaakt met een toegespitsten stok van ongeveer 30 cm. lengte, die meestal van een knop, handvat of dwarsbalkje voorzien is. Voor het onderhoud van de grasvelden gebruikt men afzonderlijke harken, verder den kantenafsteker (figuur 20) en inzonderheid de grasmaaimachine, waarvan er verschillende modellen in gebruik zijn (figuur 24 zonder wals, figuur 25 met wals). Voor kleinere grasvelden gebruikt men ook de zeis. De kanten en zeer kleine grasvlakten worden ook met de grasschaar (figuur 11) bewerkt. Voor het snoeien, enten enz. gebruikt men o. a. het tuinmes (figuur 6), het oculeermes (figuur 7) en het copuleermes (figuur 8). Het aspergemes (figuur 13) dient voor het steken van asperges. Voor het afknippen van twijgen enz. zijn verschillende soorten scharen in gebruik, zooals de tuinschaar (figuur 9), de rozenschaar (figuur 10) en de rupsenschaar (figuur 23). Tot de snijwerktuigen behoort de tang (figuur 12), waarmee en gedeelte van de bast van een wijndruif weggenomen wordt, terwijl voor het verwijderen van takken verschillende zagen in gebruik zijn (figuur 3, 4, 5). Het materiaal om te binden wordt wel meegenomen in den touwof bastdrager (figuur 28), die in het knoopsgat wordt bevestigd. De vruchten, die men niet met de hand bereiken kan, worden het best geplukt met den vruchtenplukker (figuur 27). Voor het besproeien dienen o. a.: de gieter (figuur 22), de spuit (figuur 19) en de waterturbine (figuur 31). Een toestel voor het bewaren en vervoeren van de hierbij behoorende slangen is afgebeeld in figuur 29. Kamerplanten worden besproeid met den rafraïchisseur of drosophoor (figuur 21).

Tuing-ras (Poa annua) is een andere naam voor klein beemdgras of pluimgras. Zie Beemdgras.

Tuinkers of Bitterkers. Zie Lepidiurn en Bitterkers.

Tuinkervel. Zie Anlhriscus.

Tuinkunst is die vorm van tuinbouw (zie aldaar), waarbij de aesthetische gezichtspunten op den voorgrond staan. Deze kunst werd reeds in de Oudheid beoefend; bekend zijn de hangende tuinen van Semiramis de tuinen van Kleopatra enz. De Romeinsclie villa's waren door prachtige tuinen omgeven. Na den val van het West-Romeinsche rijk ging de tuinkunst sterk achteruit. Alleen in Spanje bloeide zij in den tijd van de Mooren, vooral omstreeks het jaar 1000. Na hun verdrijving werd het land in een woestenij herschapen. In den tijd van de Renaissance kwam de tuinkunst opnieuw tot bloei en wel het eerst in Italië. Ook daar koos men, evenals de Mooren gedaan hadden, bij voorkeur geometrische vormen. Architecten waren meestal met den aanleg van tuinen belast. Zij vinden in Italië nog overblijfselen van tuinen uit de 16de eeuw. In den baroktijd kwam de Italiaansche stijl tot volledige ontwikkeling. In den tijd van Lodewijk XIV ontstond in Frankrijk de stijl van Lenótre (zie aldaar). Hij knoopte aan bij de Italiaansche kunst, overgebracht op vlak terrein. Zijn grondplan is meestal eenvoudig, de uitvoering min of meer overladen. In de 18de

eeuw ontstond een nieuwe stijl in Nederland, die zich snel over Europa verbreidde, doch wegens zijn gekunsteldheid en onnatuur ook snel weder verdween. Karakteristiek was het snoeien van hagen in allerlei grillige vormen. In ons land is deze mode nog niet geheel verdwenen.

De Moorsche, Italiaansche, Fransche en Nederlandsche tuinen uit deze verschillende tijdperken behooren alle tot den regelmatigen of geometrischen stijl. Hier tegenover staat de natuurlijke stijl, dien men reeds vroeg in China waarneemt en die veel later in Engeland tot ontwikkeling komt. De Chineesche tuinen onderscheiden zich van de Engelsche door den aanleg van een groote hoeveelheid kunstmatige rotsen en watervallen, ruïnes, meren, beken, bruggen, tempels, kronkelpaden enz. De grondgedachte van den Engelschen stijl, het duidelijkst uitgedrukt door Wliately, is, dat de tuinarchitect de natuur met al haar onregelmatigheden tot voorbeeld en doel moet nemen. Grooten invloed ging o. a. uit van de door Kent en Repton aangelegde tuinen. Zeer spoedig na haar ontstaan werd de Engelsche mode naar Frankrijk overgebracht, zoodat zelfs de prioriteit door sommigen aan Engeland betwist wordt. Ook in ons land vond zij spoedig ingang, evenals in andere landen, o. a. in Duitschland. Tot de meest bekende tuinarchitecten aldaar behooren Sckell, Pückler Muskau en Lenné. Tegenwoordig worden de regelmatige en de onregelmatige stijl niet meer streng ondersch eiden; de moderne stijl tracht uit elementen van beide richtingen een nieuwen stijl te vormen.

Tuinlepeltje. Zie Taschjeskruid.

Tuinman, Carolus, een Nederlandsch schrijver, geboren in 1660 te Maastricht, werd in 1699 predikant te Middelburg. Hij is vooral bekend als schrijver van „De oorsprong en uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden (2 dln., 1726). Daarnaast schreef hij verschillende bundels gedichten, zooals: „Neander gezangen" (1706), „Zielverlustiging of stigtelijke gezangen" (1716), „Beginselen van Hemelwerk en zedezangen" (1820), „Geestelijke gezangen met noten" (1725), „Liederen Zions" (1726), „Nederduytsche poëzij" (1728), „Rijmlust" (1729 en later) en „Mengelstoffen van gezangen op muzijknooten" (1865), benevens in proza: „Fakkel der Nederduytsche taaie" (1722) en „Vervolg" (1731). Hij overleed den 5den November 1728 te Middelburg.

Tuinplanten, de planten, die in tuinen worden gekweekt, kunnen overeenkomen met den vorm, waarin zij oorspronkelijk in de vrije natuur voorkwamen, of ■ zij kunnen door de veranderde levensvoorwaarden of door selectie (zie aldaar) meer of minder sterke afwijkingen vertoonen. Daardoor ontstaan er van sommige soorten zeer verschillende vormen, zooals bijv. van rozen, anjelieren, asters, chrysanthen, begonia's enz. Wanneer de plant de veranderde levensvoorwaarden weder mist, keeren gewoonlijk de stamvormen terug. Tot de veranderingen, waaraan de gewassen onderhevig zijn, behoort in de eerste plaats het, ontstaan van groote exemplaren of van groote plantendeelen. In de tuinbouwkunde noemt men vormen met groote bladeren varietates grandifoliae of imkrophyllae, vormen met groote bloemen varietates grandiflorae of makranthae, met groote vruchten varietates makrocarpae. Wanneer de ge-

Sluiten