Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken tegen de Franschen. Sidi Ahmed, die in 1837 zijn vader opvolgde, ondernam groote bouwwerken en breidde het leger uit, maar werd door de Porte op verlangen der Europeesche mogendheden ge- : dwongen zijn troepenmacht in te krimpen en een jaarlijksche verantwoording af te leggen. De Jodenvervolging van Juni 1857 onder Sidi Mohammed (1865—1859) was een eerste aanleiding voor de tusschenkomst van Europa. Toen daarop Mohammed es-Sadok door verkeerd beleid niet meer in staat was de rente der staatsschuld te betalen, leidde dit in 1869 tot een hernieuwd ingrijpen, waarbij Engeland, Frankrijk en Italië met de contröle over de geldmiddelen belast werden en de opbrengst van de invoerrechten voor de rentedelging der staatsschuld werd aangewezen. Gedurende den Fransch-Duitschen Oorlog werd den 25sten October 1871 de verhouding van Tunis tot de Porte aldus geregeld, dat Turkije van een schatting afzag en Tunis daar tegenover de opperhoogheid van de Porte erkende. Terwijl het binnenlandsch bestuur steeds meer in de war liep en de Italianen grooten invloed in het land kregen, nam Frankrijk een inval van de roofzuchtige Kroemirs tot voorwendsel, om den bei den 12den Mei 1881 te dwingen tot het Bardoverdrag, waarbij Tunis onder Franscli (politie-) protectoraat kwam. Het Marsaverdrag van den 8den Juni 1883 schonk eindelijk aan de Fransche regeering het volledige protectoraat, terwijl bij het verdrag van den 16den Juni 1907 tusschen Spanje, Engeland en Frankrijk aan dit laatste het bezit van Tunis uitdrukkelijk gewaarborgd werd.

Tunis, de hoofdstad van het regentschap Tunis, ligt op 45 km. afstand van de Middellandsche Zee tusschen het ondiepe, zoute meer El Baliira, dat door het Kanaal van Goletta gemeenschap heeft met de zee, en het in den zomer bijna geheel droge Sebcha el Sadsjoemi. Het bestaat uit de oude stad (Medina), de voorsteden Bab-Suika en Bab-Dsjazira en uit de Fransche wijk, welke aan de haven ontstaan is. Het telt naar schatting 250 000 inwoners, waaronder 40 000 Europeanen, voornamelijk Franschen, en evenveel Joden. De stad bezit vele moskeeën, waaronder de Dsjama es Sitoeng, in 1223 gebouwd van het materiaal (150 zuilen), dat van het oude Carthago was overgebleven, en waarin de graven der vorsten en een kostbare boekerij aanwezig zijn, een R. Katholieke kathedraal, en kerk, een klooster der Capucijnen, een Anglikaansche kerk, een Gr. Katholieke kapel, verschillende synagogen, een paleis van den bei, een paleis van justitie, een ziekenhuis, een stadhuis en een douanekantoor, alle in oude gebouwen ondergebracht. Daarnaast zijn nieuw gebouwd de residentie van den resident-generaal, een postkantoor, twee schouwburgen, verschillende, openbare badhuizen enz. 4 km. N. W. van de stad ligt de vesting Bardo, de zetel der regeering, met een polytechnische school en een staatsgevangenis. De stad bezit verder ruim 100 lagere scholen, het lyceum Carnot en sedert 1899 de Ecole coloniale de Tunis, terwijl aan de bovengenoemde moskee een beroemde Mohammedaansche hoogeschool verbonden is. De nijverheid vervaardigt zijden sjaals en mantels, matten, juweelen, roode mutsen enz. Van meer belang is echter de handel, welke dien van Sfaks evenaardt. Ongeveer 60 km. ten Z. van Tunis verheft zich de Dsjebel Zaghouan, waar¬

van de bronnen de stad van drinkwater voorzien.

Tunnel (Engelsch = buis) is de naam van een kunstmatig aangelegde, ondergrondsche, buisvormige ruimte, welke dient om een weg, een spoorweg enz. onder het aardoppervlak door te voeren. Tunnels, welke als water- en verkeerswegen gebruikt werden, kwamen waarschijnlijk reeds bij de Assyriërs en Babyloniërs voor. De Azteken en Peruanen gebruikten rotstunnels voor hun waterleidingen, Semiramis begon met den aanleg van een tunnel door de gebergten van Baghistan en Zaracocoes. Metselwerk kwam bij deze tunnels nog niet voor.

De Romeinen, in den tunnelbouw waarschijnlijk leerlingen van de Etruskers, bouwden allerwegen naast zulke voor wegen en waterleidingen, hun emissaria of afwateringstunnels, welke tot de meest grootsche waterbouwwerken van de Oudheid behooren. Van hun wegtunnels noemen wij dien door de Apennijnen, gebouwd door Vespasianus en den thans nog gebruikten door den Posilippo en tusschen Napels en Puzzuoli, welke ongeveer 36 jaar v. Chr. door Coccejus aangelegd werd. In 359 n. Chr. werd een tunnel van 6000 voet lengte, bij een hoogte van 7—8 en een breedte van 5 voet gebouwd om het Meer van Albanië af te leiden. 50 schachten (putei) werden langs zijn route geboord, om het werk op verschillende plaatsen tegelijk te kunnen aanvatten. Iets dergelijks is de tunnel welke het Fucinus Meer afleidde naar den Liris, en waaraan onder keizer Claudius 30 000 man gedurende 11 jaar gewerkt hebben. Volgens Livius bedroeg zijn lengte 6 km., 5,8 ra. en zijn breedte 2,8 m.

Na den ondergang van het W. Romeinsche rijk geschiedde er, behoudens enkele afwateringstunnels in Spanje, gedurende 10 eeuwen op het gebied van den tunnelbouw niets. Eerst in 1450 kwam hij tot nieuw leven, toen Anna van Lusignan met den bouw van een tunnel door den Col di Tenda tusschen Nizza en Genua een begin deed maken. Het werk werd echter afgebroken, in 1782 door Viclor Amadeus II weder opgenomen, maar in 1792, tengevolge van den inval der Franschen, voor goed opgegeven. Tot bloei kwam de tunnelbouw eerst na de toepassing van het buskruit. Daarna kwamen in 1681 de Malpastunnel, in 1707 het zoogenaamde Urner Loch in den weg over den St. Gotthard en in 1767 de tunnel door den Mönchberg in Salzburg tot stand. Intusschen is men eerst in de 19de eeuw begonnen met den aanleg van tunnels door weekere gesteenten. Zoo kwam in 1803 de tunnel van Tronquoy in den loop van het kanaal van St. Quentin door zand gereed, terwijl men bij den aanleg van den Theemstunnel door een slijkbodem wel de grootste moeilijkheden, welke zich kunnen voordoen, moest overwinnen en daarmede tevens den grondslag legde voor den modernen tunnelbouw. Het eerste ontwerp was afkomstig van Dodd, die in 1798 een tunnel wilde leggen tusschen Tilbury en Gravesend. In 1807 werd "door Chapman begonnen met den aanleg van een tunnel bij Rotherhithe, welk werk in 1808 wegens een doorbraak van den Theems moest opgegeven worden. In 1826 door Mare Isamlard Brunei weder opgevat, werd het, ondanks het tweemaal doorbreken van de rivier, in 1842 voltooid. Deze tunnel, welke een rechthoekige doorsnede van 11,5 X 6,7 m. heeft, is opgetrokken

Sluiten