Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van baksteen en cement en bevat 2 hoefijzervormig gewelfde gangen van 4,2 m. breedte en 5,2 m. hoogte, welke op verschillende plaatsen door dwarsgangen verbonden zijn. Oorspronkelijk voor twee straatwegen bestemd, heeft men later twee spoorwegen door den tunnel gelegd.

Na de ontwikkeling van het spoorwegwezen (1830) nam het boren van tunnels eerst een hooge vlucht en ontstonden de verschillende bouwwijzen, welke thans in gebruik zijn. Zoo ontstond bij den aanleg van den Blechingley- en den Saltwoodtunnel de Engelsche bouwwijze, omstreeks-1837 door de toepassing van de bouwwijze van den mijngang door Meixner bij spoorwegtunnels de Oostenrijksche bouwwijze, waarnaast verder de kern- en de Belgische bouwwijze van beteekenis geworden zijn.Terwijl nu in Engeland en Amerika de bouw van tunnels onder water voortschreed, kwam in de Alpenlanden die van lange tunnels door ketens van hooggebergten langzamerhand tot de hoogste volmaaktheid. Van de eerste noemen wij: den Severntunnel bij Bristol (1875—1888), lang 7,25 km., waarvan 3,62 km. onder water; den Mersey tunnel tusschen Liverpool en Birkenhead (1880—1885) met een lengte van 3,2 km., waarvan 1,2 km. onder water en den Hudsontimnel tusschen New-York en Jersey City (1879—1882, 1889—1891, 1902—1908). Als de voornaamste landtunnels zijn te beschouwen: de Mont-Cenistunnel (1858—1871) bij de spoorlijn Lyon-Turijn, welke 12,23 km. lang is; de St. Gotliardtunnel (1872—1882) op de lijn Luzern-Milaan, met een lengte van 14,99 km.; de Arlbergtunnel (1880—1884) op de lijn Innsbrück- Bludenz, waarbij uitsluitend dynairiet als springstof gebruikt werd en die in het geheel 10,25 km. lang is; de Simplontunnel (1898—1905) op de lijn Brieg-Domodossola, de langste tunnel der aarde, met een lengte van 19,73 km., welke als dubbeltunnel is ontworpen, waarvan tot dusver echter slechts één voltooid is, en de Löschbergtunnel, voltooid in 1911, lang 14,531 km., met dubbel spoor, waarvan de aanleg 50 mill. frs. heeft gekost.

De bouw van een tunnel geschiedt het gemakkelijkst in rotsgesteenten, welke duurzaam en tevens niet te hard zijn. Gesteenten, welke aan de lucht snel verweeren, en vooral drijfzand en slijk, zijn voor den tunnelbouw ongunstig. In het algemeen houdt men den tunnel recht. Soms moet men echter om de helling te verminderen een gekromden tunnel bouwen. Dit zijn de zoogenaamde keertunnels, welke, voortdurend stijgend, in het binnenste van den berg dikwijls een vollen cirkel beschrijven, zooals bijv. de St. Gotthard- en de Sim pion tunnel. Aan den bouw van een tunnel moet een onderzoek naar tte geologische gesteldheid van de te doorboren lagen voorafgaan. Na afloop daarvan worden dan, in verband met de kosten, de lengte en de ligging van den tunnel, alsmede zijn dwarsprofiel en de wijze van versterking vastgesteld. Het grondwerk is in hoofdzaak mijnarbeiderswerk. De werkwijzen hebben door invoering van springmiddelen (dynamiet enz.) en van de steenboormachine een groote volmaaktheid bereikt. Bij boringen in los en nat, zoogenaamd „drijvend' gesteente maakt men dikwijls met veel succes gebruik van de bevriesmethode (zie Mijnbouw). Om de nu verkregen, holle ruimte voorloopig tegen doorbraak te beveiligen, bekleedt men haar

met hout, waarbij men, al naar de wijze waarop dit geschiedt, spreekt van de Engelsche, de Oostenrijksche, de Belgische en de kernbouwwijze. In den lateren tijd heeft men ook van ijzer gebruik gemaakt, bijv. bij de bouwwijze van Pzihas. Om de eigenlijke tunnelruimte gemakkelijker te kunnen maken, begint men gewoonlijk met het boren van een tunnel van kleiner profiel, van waaruit dan de eigenlijke tunnel wordt aangelegd. Soms maakt men van dalinzinkingen, welke in de tunnelrichting voorkomen, gebruik om, na het boren van schachten, den bouw van den tunnel op verschildende punten gelijktijdig te kunnen aanvatten. De blijvende binnenbouw van den tunnel wordt gewoonlijk uitgevoerd in steen, minder in ijzer en hout. Het verwijderen van de uitgegraven massa's, de verlichting en ventilatie van de werkruimten maken, in verband met de andere, genoemde zaken, den tunnelbouw dikwijls tot één der moeilijkste vraagstukken van de ingenieurwetenschap.

Tunnelziekte is, evenals de mijnwerkersziekte, een vergiftiging door kooloxyd, die bij het aanleggen van tunnels kan optreden. Ook is het een andere naam voor ankyloslomiasis (Zie aldaar).

Tunstall, een stad in Staffordshire in Engeland, ligt in de zoogenaamde Potteries aan het Grand Trunkkanaal. Men vindt er een fraai stadhuis, een aantal moderne kerken, hetVictoriainstituut met een school voor kunstnijverheid en een bibliotheek. Het aantal inwoners bedraagt (1901) 19 492. Zij houden zich bezig met de fabricage van aardewerk en met ijzerindustrie.

Turacine is de naam van een roode verfstof, die uit de slagpennen van den pisangvreter verkregen wordt. Zij bevat ongeveer 6% koper. Wanneer de veeren verbrand worden, ontstaat er een groene vlam.

Turaco's of Toerako's (Corythaeolus) is een vogelfamilie uit het geslacht van de pisangvreters. De voornaamste vertegenwoordiger is de reuzenturaco of koko (corythaeolus cristatus), die in de keerkringsgewesten van West-Afrika leeft. Hij bereikt een lengte van 65—75 cm. en bezit prachtig gekleurde veeren. Op den kop heeft hij een bewegelijken vederkam, verder heeft hij een korten, hoogen snavel, vleugels van een middelmatige lengte, een langen, breeden staart en lange, krachtige pooten.

Turbine. Zie Stoommachine en Waterrad.

Tureluur (Totanus calidris L.), ook Tuut en Tuutling geheeten, is de naam van een vogel uit de onderfamilie der Snipvogels (Scolopadnae) der Pluvierachtigen (Charadriidae), behoorende tot de orde der Pluviervogels (Charadriornithes). Zijn snavel is recht, kop en hals zijn met kleine, langwerpige, rug en mantel met groote, ronde, zwarte vlekken geteekend. Over den staart loopen zwarte ringen; de zijden van hals, krop en romp zijn geelachtig grijs. Zijn totale lengte bedraagt 27 cm. Bij ons te lande broedt hij in grooten getale in de moerassen en lage landen der kuststreken. Met den kievit komt hij op onze weilanden het meest van alle moerasvogels voor. Buitengewoon talrijk is hij ook op de eilanden. Vele van deze vogels verlaten in Augustus en September ons land, om in April weder terug te keeren. Hij komt ook voor in N. Duitschland, maar vooral in Scandinavië, Rusland, Z. Siberië en Turkestan. De eieren van

Sluiten