Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Porte over de pasja's, die naar zelfstandigheid streefden, en over de Christelijke stammen. De dreigende houding van Napoleon tegenover Rusland bewoog dit laatste, in weerwil van zijn glansrijke overwinningen, bij den vrede van Boekharest (28 Mei 1828) de veroverde gewesten meerendeels terug te geven. Mahmoed slaagde er in, onderscheiden wederspannige pasja's, onder anderen AU Pasja van Janina, tot onderwerping te brengen, het muitzieke korps der Janitsjaren uit te roeien en een goed georganiseerd leger te scheppen. Daarentegen gelukte het hem niet, den opstand der Serviërs (sedert 1804) en dien der Grieken (sedert 1821) te dempen. Rusland dwong de Porte den 6aen October 1826 tot het verdrag van Akjerraan, waardoor de staatsrechtelijke betrekking van Turkije tot Servië en tot de Donauvorstendommen naar het verlangen van Rusland geregeld werd, na de vernietiging van de Turksch-Egyptische vloot bij Navarino (20 October 1827) door de vereenigde eskaders van Rusland, Engeland en Frankrijk liet het zijn leger over de grenzen van Bulgarije en Armenië rukken. In 1828 veroverden de Russen enkel Varna, Kars en Achalzyk, maar in 1829 ook Erzeroem, en Diebitsj trok zelf voorwaarts tot Adrianopel, waar den 14den September door tusschenkomst van Pruisen de vrede tot stand kwam, waarbij Turkije de monden van de Donau en Achalzyk aan Rusland afstond, de privelegiën van de Donauvorstendommen en Servië bekrachtigde en de onafhankelijkheid van Griekenland erkende.

Nu hervatte Mahmoed zijn pogingen, om de eenheid van het rijk te herstellen, maar kwam daarbij in botsing met den pasja van Egypte, Mehemed Ali, wien hij voor zijn bijstand, gedurende den Griekschen opstand verleend, groote beloften had moeten doen. lbrahim-Pasja, de aangenomen zoon van Mehemed, deed in 1831 een inval in Syrië, versloeg de Turken tot driemaal toe, veroverde in 1832 Akka en rukte in 1833 in Klein-Azië voorwaarts tot aan Koetahia. De Porte riep Rusland te hulp, dat, hoewel Ibrahim zijn tocht niet voortzette, 15 000 man over zee naar den Bosporus zond en tevens metandere troepen over de Donau trok, terwijl de Fransche en Engelsclie vloten voor de Dardanellen ten anker lagen. Nu sloot Mehemed AU den Vrede van Koetahia (4 Mei 1833), waarbij de sultan, een algemeene amnestie afkondigend, den onderkoning als erfstadhouder van Egypte erkende en hem voor levenslang met de heerschappij van Syrië en Kreta, en Ibrahim met die van Adana en Tarsos begiftigde. Met Rusland sloot Mahmoed het Verdrag van Hoenkiar Skalessi (8 Juli 1833), waardoor hij de verplichting op zich nam, voor alle vijanden van Rusland de Dardanellen te sluiten en aan geen oorlogsschip de doorvaart te vergunnen naar de Zwarte Zee. Daarna trachtte de sultan zijn krijgsmacht door centralisatie uit te breiden; den Bosniërs, Albaneezen en onderscheiden stammen in Klein-Azië ontnam hij de laatste overblijfselen van zelfstandigheid, terwijl Mesopotamië en Koerdistan tot onderwerping werden gebracht. Toen in 1839 in Syrië een opstand uitbarstte tegen de Egyptische heerschappij, verklaarde Mahmoed in Mei den oorlof aan den onderkoning. Hij overleed echter reeds den lstei1 Juli daaraanvolgende voordat hij eenig bericht ontvangen had van de vernietiging van zijn leger bij Nisib (24 Juni). Daarop volgde de afval

der vloot, welke den 17dei1 Juli door den kapoedanpasja Achmed te Alexandrië aan Mehemed AU werd overgeleverd. De omstandigheden, waaronder Abdoel Mesjid (1839—1861), de 16-jarige zoon van Mahmoed, de regeering aanvaardde, waren dus ver van gunstig, en hij moest zich redden door de tusschenkomst van Engeland, Rusland, Oostenrijk en Pruisen die den 15den Juli 1840 de QüadrupleAlliantie sloten en door een Oostenrijksch-Engelsche vloot Mehemed Ali dwongen Syrië te ontmimen en zich bij het erfstadhouderschap van Egypte te bepalen. Abdoel Mesjid vond een schranderen raadsman in Resjid-Pasja. Door den invloed van dezen werd den 3,Jen November 1839 het bekende „Hattisjerif van Gulhane" uitgevaardigd, waarin aan alle onderdanen gelijke veiligheid van persoon en goederen gewaarborgd, allerlei hervormingen op het gebied van administratie werden aangekondigd, terwijl genoemd stuk tot grondslag zou verstrekken voor onderscheiden organieke wetten. Ook Mehemed AU moest zich daaraan onderwerpen. In 1841 werd te Londen tusschen de Groote Mogendheden en de Porte het Dardanellenverdrag gesloten, waardoor laatstgenoemde gehouden bleef, de Dardanellen en den Bosporus voor vreemde oorlogsschepen in tijd van vrede gesloten te houden.

De woelingen van het jaar 1848 lieten het eigenlijke Turkije onaangeroerd. De hoop, welke men te Constantinopel gevestigd had op den Hongaarschen opstand met betrekking tot het herstel van de heerschappij aan de Donau, werd door de capitulatie van Vilagos (13 Augustus 1849) verijdeld. Toch weigerde de Porte de uitlevering der Hongaarsche vluchtelingen. Toen de Fransche republiek in het najaar van 1850 vorderingen instelde omtrent de „Heilige plaatsen", welke door de Porte met eenige inschikkelijkheid werden behandeld, zoodat hij ook aan de R. Katholieken het gebruik vergunde van een zekere kerkdeur te Bethlehem, verklaarde keizer Nicolaas aanstonds, dat daardoor het godsdienstg gevoel der rechtzinnige Russen gekrenkt was, en verlangde waarborgen voor de Grieksch-Katholieke Kerk in Turkije. Tevens eischte Oostenrijk de verwijdering der Turksche troepen uit het oproerig Montenegro en de voldoening van privaatrechtelijke vorderingen van Oostenrijksche onderdanen. Toen de buitengewone Oostenrijksche gezant, graaf von Leiningen, den 14den Februari 1853 op de onvoorwaardelijke vervulling dezer eischen aandrong, zond ook keizer Nikolaas prins Mmsjikof naar Konstantinopel, om een overeenkomst te eischen omtrent de voorrechten der Orthodoxe Kerk. Het weigerend antwoord der Porte werd gevolgd door den Krimoorlog (zie aldaar). Daarin werd Turkije door de Westersche Mogendheden bijgestaan, en deze erlangden daardoor het recht om op hervormingen aan te dringen, welke dan ook in den Hatti-IIoemayoem van den 2isten Februari 1856 werden afgekondigd en bij het Parijsche vredestractaat van den 308ten Maart daaraanvolgende gevoegd. Dit stuk bevatte de burgerlijke gelijkstelling van alle onderdanen, verbood de begunstiging van het eene kerkgenootschap boven het andere, schonk aan alle staatsburgers hetzelfde recht op het bekleeden van ambten en op de openstelling van scholen voor hun kinderen, verordende de instelling van rechtbanken met Mohammedaansche en Christelijke rechters, schreef

Sluiten