Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

venburgen sedert de 12de eeuw bezaten, werden opgeheven, terwijl aan 40 000 Roemeniërs een aandeel aan het Saksische nationale vermogen werd toegekend. Sedert dien tijd trachtten de Magyaren hun invloed, vooral door uitbreiding van hun taal, te vergrooten; in den laatsten tijd ontmoette dit streven echter niet alleen een levendig verzet bij de Saksers, maar ook bij de Roemeniërs, wier invloed in de laatste jaren belangrijk is toegenomen.

Zevendeel (Trienlalis europaea L.) is de naam eener weinig voorkomende inlandsche plant, welke tot de familie der Primulaceeën behoort. Zij heeft een 7-slippigen kelk en een stervormige bloemkroon met een 7-slippigen zoom en is een overblijvend kruid met langwerpige, gaafrandige bladeren, die meerendeels aan den stengeltop tot een schijnkrans vereenigd zijn, en draagt langgesteelde, witte bloemen. Zij vormt lange, dunne, witte uitloopers en'groeit in de bossclien.

Zevende hemel is de uiting van een opvatting, waarschijnlijk van Babylonischen oorsprong, die later ook onder de Joden en in den Islam zeer verbreid was. Zij neemt aan, dat zich zeven hemels boven elkander welven, terwijl in den zevenden God zelf troont. Hier de nabijheid van God deelachtig te worden, is het innig verlangen van iederen vrome. Vandaar, dat „in den zevenden hemel zijn" de aanduiding voor de hoogste godsdienstige verrukking is. Later kreeg de uitdrukking de beteekenis van groote vreugde in het algemeen.

Zevende zoon in dezelfde familie, geldt bij vele volkeren als een toekomstig wonderdoener. In Frankrijk en Engeland bestond de overtuiging, dat hij, evenals de koning, door aanraking kropgezwellen kan genezen. Vandaar de naam marcou (mal cou). In Duitschland is de landsvorst dikwijls peet van den zevenden zoon, zonder dat een onafgebroken opeenvolging geëischt wordt, zooals in andere landen. De Tsjerokeezen hopen, dat hij een groot profeet zal worden.

Zevengebergte, een klein vulkanisch gebergte op den rechter Rijnoever, ligt tegenover Bonn, in den hoek gevormd door den Rijn en den Sieg en in de nabijheid van Königswinter. Het behoort tot de fraaiste landschappen van den Rijnoever. Op de kleine uitgebreidheid van omstreeks 50 v. km. heeft men hier een menigte van steile basalt-, trachiet, en dolomietkegels, die uit het grauwakke oprijzen. Onder deze zijn een zevental: de steile Drachenfels (325 m.), onmiddellijk aan de rivier, de Petersberg (334 m.), niet ver vandaar en gekroond met een bedevaartskapel, aan den heiligen Petrus gewijd endeW olkenburg (328 m.), een afgeknotte kegel, door een bergrug met den Drachenfels verbonden, welke drie de voorste rij vormen, en op den achtergrond de Ö 1 b e r g (464 m.), de Löwenberg (459 m.), de Lohrb e r g (440 m.) en de Nonnenstromberg (336 m.) de voornaamste. De burchten, wier bouwvallen zich hier en daar op de toppen van het gebergte verheffen, zijn bijna alle afkomstig uit de 12de eeuw en waren versterkte kasteelen der aartsbisschoppen van Keulen. Diep in het bekoorlijke Heistertal vindt men de ruïne van het klooster Heisterbach. Naar den top van den Drachenfels en van den Petersberg voeren tandradspoorwegen van uit Königswinter. Daar wordt ook het trachiet, in groote steengroeven gedolven, tot bouwsteen ver¬

werkt; de dom te Keulen is hoofdzakelijk van dit gesteente opgetrokken.

Zevengesternte. Zie Plejaden.

Zevenhuizen, een gemeente in de provincie Zuid-Holland, 2 901 H. A. groot met (1910) 2 330 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Moerkapelle, Waddinxveen, Nieuwerkerk, Hillegersberg, Bergschen hoek en Bleiswijk. Na het droogleggen van de uitgegraven laagveenplassen bestaat de bodem voornamelijk uit klei. Tegenwoordig zijn landbouw en veeteelt de voornaamste middelen van bestaan. De gemeente bevat het dorp Zevenhuizen en de gehuchten Kikkershoek, Oude Verlaat en Vijfhuizen.

Het dorp Zevenhuizen bezit een Hervormde en een Remonstrantsche kerk. Er is een gemeenschappelijk station voor Zevenhuizen en Moerkapelle aan de lijn 's Gravenhage—Gouda.

Zevenjarige oorlog, ook Derde Silezische Oorlog geheeten, is de oorlog door Oostenrijk tegen Pruisen gevoerd, om het door Frederilc II van Pruisen, in de Silezische oorlogen bemachtigde Silezië terug te verkrijgen. Hij duurde van 1756— 1763. Wegens dit streven van Oostenrijk zag Frederik de Groote zich genoopt aanvallend op te treden, vóór Maria Theresia er in geslaagd zou zijn een coalitie van geheel Europa tegen hem tot stand te brengen. Reeds kwam Elisabeth van Rusland Oostenrijk te hulp, en ook Frankrijk, dat in de beide voorgaande Silezische oorlogen de bondgenoot van Pruisen geweest was, maakte zich door den invloed van madame de Pompadour gereed om Oostenrijk bij te vallen. Vooral toen bekend werd, dat Pruisen den 16den Januari 1756 met Engeland, dat met Frankrijk over de N. Amerikaansche koloniën in strijd was, te Westminster een onzijdigheidsverdrag gesloten had ten opzichte van Hannover, kwam den lsten Mei van dat jaar een verbond tot stand tusschen Frankrijk en Oostenrijk. Toen Frederik verder van den Nederlandschen gezant Swart te St. Petersburg vernam, dat Oostenrijk en Rusland overeen gekomen waren, om hem in het voorjaar van 1757 aan te vallen, deed hij in Juni 1756 te Weenen de vraag, of de krijgstoerustingen tegen hem gericht waren? Toen men hierop een ontwijkend antwoord gaf, eischte hij de belofte, dat men hem noch in dit, noch in het volgend jaar zou aanvallen. Nadat die eisch den 21sten Augustus van de hand gewezen was, liet hij den 28sten van deze maand zijn leger van 60 000 man over de grenzen van Saksen trekken.

De Pruisen verschenen hier aanvankelijk als vrienden en verklaarden, dat zij enkel tegen Bohemen en Oostenrijk oprukten. Maar Augustus III wees alle aanzoeken van Frederik, om een bondgenootschap te sluiten van de hand en riep de hulp van zijn bondgenooten in, terwijl de Saksische troepen, 17 000 man sterk, zich in een versterkt legerkamp bij Pirna terugtrokken. Intussclien verijdelde de vijandige houding van het Hof en van het leger in Saksen zijn plan, dat een overrompeling van Oostenrijk bedoelde. Hij zag zich genoodzaakt, het legerkamp bij Pirna te omsingelen en de Saksers door hongersnood tot de overgave te dwingen. Daardoor kreeg Oostenrijk tijd, om in Bohemen onder Browne een leger te verzamelen van 30 000 man, dat in September optrok om de Saksers te ontzetten. In den slag bij Lobositz (1 October 1756) werden echter de Oostenrijkers verslagen. Browne trok naar Bohemen

Sluiten