Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omstreeks 1735 werd een Arabier rijksbestuurder van Mampawa, waarmede ook deze landaard vasten voet kreeg in het bestuur. Zijn zoon, Abdoer'rahman, stichtte op den landtong aan de samenvloeiing van den Landak met den Kleinen Kapoeas, die nog geheel onbewoond was, op 7 Januari 1771 de volksplanting Pontianak, welke van stonde aan beteekenis kreeg. Op vastberaden wijze werd er naar gestreefd, om den Kapoeashandel, die op Soekadana gericht was, tot zich te trekken. Daartoe werd het middel van gezagsuitbreiding gekozen, in de eerste plaats over Landak en Sanggau. Landak riep de hulp in van zijn leenheer, Bantam, maai- dit rijk stond Landak en Soekadana (inbegrepen Matan) af aan de O. I. Compagnie (1778). Landak erkende de O. I. C. als leenheer, maar Soekadana en Matan, die weer tot macht en bloei waren gekomen, weigerden.

De 0. I. C. legde eene bezetting te Pontianak, x) waarop de Sultan haar als leenheer erkende en met haar een contract afsloot. (5-7-1779). Deze overeenkomst hield o.m. in uitroeiing van muskaat, nagelen en koffie, en overdracht aan de 0. I. C. van het bestuur over de Chineezen en Inlandsche vreemdelingen. .

De naijver van Pontianak tegenover Soekadana leidde, onder steun der O. I. C., tot de verwoesting van Soekadana (1786). Van dezen slag is Soekadana en daarmede het rijk Matan nooit meer opgekomen. De plaats Soekadana bleef onbewoond en verviel tot wildernis; het rijk Matan verviel en Simpang scheidde zich daarvan af. Ook tegenover het bloeiende Boegineesche Mampawa wist de Sultan van Pontianak zich van de hulp der 0. I. C. te verzekeren. Het Mampawasche vorstenhuis werd naar de binnenlanden verdreven, terwijl bij Contract van 20-6-1787 het rijkje Mampawa dooi- de 0. I. C. aan den zoon van den Sultan van Pontianak in leen werd gegeven onder dezelfde bedingen, als Pontianak zelve. Ook Mampawia is den slag nooit te boven gekomen.

Met Sambas sloot de 0. I. C. in 1787 een dergelijk contract af, als met Pontianak. De vestiging te Pontianak bracht der 0. I. C. evenwel geene voordeelen aan. Haar handel, steunende op monopolie's, kwijnde, terwijl de sultansfamilie en de landsinwoners zichtbaar in welvaart toenamen. Het bestaande groote handelsvertier berustte op den sluikhandel, die feitelijk van den eersten dag der Nederlandsche vestiging op WestBorneo af den kop opstak.

De O. I. C. besloot Bonieo's Westkust te verlaten en gaf aan dit voornemen uitvoering, op 8-10-1791.

2. De opkomst der De lijnen der geschiedenis van West-Borneo zijn niet Chineesche door de inheemsche bevolking, de Daj aks, geteekongsi's en het kend, maar dooi' de vreemdelingen. Werden hierbo-

') Als regelingscommissaris trad W. A. Palm op, ais eerste resident W. M. Smart, en als 2e Resident J. J. Klagman (1784).

Sluiten