Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Het tijdperk van Ingevolge bekomen last van het Opperbestuur be1846—1856. noemde de Gouverneur-Generaal J. J. Rochussen den Commissaris-Inspecteur Weddik bij B. 28-2-1846 tot Gouverneur van het nieuw ingestelde gewest „Bomeo en Onderhoorigheden", omvattende geheel Nederlandsch Borneo. De Wester-Afdeeling bestond uit de beide Ass. residentiën Sambas (het rijk Sambas) en Pontianak (de rest) ; de grenzen werden nauwkeurig vastgesteld. De Ass. Residenten bezochten weer de binnenlanden. Kenmerkend voor de jaren 1843—'48 waren de onderzoekingen in het binnenland door O. von Kessel, L. Ullmann, von Gaffron, den Ass. Res. van Pontianak x) Mr. D. W. J. C. Baron van Lijnden, en Dr. C. H. L. M. Schwaner, die het eerst den „doorsteek" door Bomeo volbracht van uit het stroomgebied der Katingan naai' dat van den Melawi (31-10-1847 tot 22-2-1848). 2) In 1848 bereikte de Gouverneur Weddik zelf de Boenoetriveier.

De onderbrenging van Ned. Borneo onder één bestuurshoofd voldeed niet en werd bij B. 17-8-1849 opgeheven. De Westerafdeeling werd weer eene zelfstandige residentie onder den Resident F. J. Willer. Vele vereenvoudigingen werden aangebracht.

Het is begrijpelijk, dat in deze jaren, waarin de ambtenaren veel reisden, veel invloed ten goede van hen uitging. Het Nederlandsche gezag was echter te veel vergeten en ondermijnd, en de middelen waren te weinig, dan dat de uitwerking zich aanstonds liet aanwijzen. De Chineezen van Montrado, Boedoek en Loemar gingen voort geheel zelfstandig te handelen, het Gouvernement minachtend te bejegenen, zijne dienaren te mishandelen, eigen munt te slaan enz., totdat de maat omtrent 1850 vol was.

Lan-fong, waar ook uitputting der mijnen zich begon te doen gevoelen, zocht in 1846 opnieuw uitbreiding naar Landak, doch stootte wederom het hoofd; nadien gingen de bevolking en inkomsten van Lanfong achteruit. In 1848 trad als Kapthaij Lioe A Sin op, die gedurende bijna 40 jaren met krachtige en bekwame hand het bewind voerde en veel goeds tot stand bracht.

Er had toen echter veel uitvoer van goud en diamanten plaats; het gewest fleurde onder de leiding der ambtenaren op, Landak vormde wel het rijkste en bloeiendste onderdeel.

Nog dient vermeld, dat na de oprichting in 1850 van den Dienst van het Mijnwezen o.m. de m.i. R. Everwijn met mijnbouwkundige opsporingen in West-Borneo belast werd. De verwachting, dat ontginbare hoeveelheden edelmetaalerts zouden worden gevonden, werd échter niet bezwaar-

1) Zie o.m. „Aanteekeningen over de landen aan het stroomgebied der Kapoeas van Mr. D. W. J. C. Baron van Lijnden en J. Groll". (Nat. Ts. voor N.-I. afl. VI. 1851).

2) Een in 1825 ondernomen poging door G. Muller, om van uit het Makahamgebied door te dringen naar den Kapoeas, eindigde met zijn overvalling en dood (Nov. 1825), toen hij op 54 KM. na zijn doel bereikt zou hebben.

Sluiten