Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kakap en Pamangkat. Tot dusver hielden zich daar uitsluitend Boegineezen, ') Maleiers en Arabieren mede bezig, doch van 1891 af, en van toen af in sterk toenemende mate, wierpen zich ook de Chineezen op dien tak van landbouw, alsook op den verbouw van gambir en peper. Reeds in 1892 werd opgemerkt, dat vele oude Chineesche nederzettingen waren achteruitgegaan, daarentegen andere belangrijk opgekomen. Het aantal Chineezen, dat in 1882—27200 had bedragen, daalde na de opheffing van Mandor eerst nog eenige duizendtallen, doch begon toen weer te stijgen. O. v. staatje geeft daarvan een overzicht.

Iti deii loop van lier, jaar

Jaar Sterkte op 1 Januari ,, 1 , , ,

bijgekomen vertrokken

I " 7 7

1891 32666 ^742 2323

1892 33532 3138 2570

1893 34138 3747 3656

1894 34631 3348 3345

1895 36416 3595 2346

1896 2) ! 37726 - • —

1

Terzelfder tijd werd de vraag naai boschproducteiv grooter en dit betrof in 't bijzonder den Dajak. Aanvankelijk zich met het inzamelen daarvan slechts bezig houdende, zooveel als noodig was, om bij rijsttekort daarin door aankoop te kunnen voorzien, verlokten de winsten hem meer en meer, om verder te gaan. Zijn koopkracht nam daarmede belangrijk toe en dit weerspiegelde zich in de in- en uitvoercijfers.

Reeds in 1894 stegen deze opv. met ƒ 180.000 en ƒ 200.000, doch in 't bijzonder van af 1896 werd de uitvoerhandel van boschproducten levendiger dan ooit. De inkomsten der douane rezen in verband daarmede zeer. De aard van den invoerhandel werd b'eheerscht door den rijstoogst; mislukte deze, dan steeg de invoer van levensmiddelen: slaagde hij, dan waren de andere artikelen meer aan de markt.

8. Het tijdvak van Van 1898 tot 1902 voerde Resident H. P. A. Bakker 1899—1909. het bewind en van 1902 tot 1908 de Resident de Neve.

De goede verhouding met de zelfbesturen bleef ongestoord; geleidelijk werden landschapskassen ingesteld, voorloopig alleen m 't belang der wegen of pasar's, welker middelen echter, behalve die van

1) Het aantal Boegineezen bedroeg op 1-1-1891 15000; tegen de geheele bevolkingssterkte 420000.

2) In verband met de invoering der 5 jaarlijksche tellingen komen de jaar-

lijksche sterktecijfers na 1896 niet meer in de K. V. voor.

Sluiten