Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toegevoegd aan de groote Chineesche republiek. De beweging was scherp gericht tegen het Gouvernement en de Europeesche ambtenaren. Een bende verwoestte te Soengei Pinjce en Mampawa de Gouvernementsvestigingen en opiumverkoopplaatsen; de beweging bereidde zich uit over de onderafdeeling Singkawang. In Lara en Loemar kwam gisting; onrust ontstond in Sambas en Pamangkat. Vele Chineezen weken uit naar Singapore. Het uitgezonden expeditie-korps ondervond echter nergens ernstigen wederstand; na korten strijd trokken de Chineezen steeds terug, waarna de Dajaks zich van de opstandelingen afscheidden en naar hunne woonplaatsen terugkeerden.

In Sambas heeft geene rustverstoring plaats gehad, terwijl Pamangkat door den gezaghebber beheerscht werd; de bevolking van Bengkajang keerde terug. Ook bij den voortgezetten patrouillegang werd nergens op ernstig verzet gestuit; de gevluchte bevolking keerde weder, terwijl tusschen Singkawang, Mampawa en Bengkajang zich het gewone verkeer en de ladangarbeid herstelden; de volledige ontwapening van de landschappen Mampawa, Sambas, Landak en Ta jan kon verder zonder moeite plaats grijpen.

In verband met de plaats gehad hebbende onlusten werd, met voorloopige opheffing der afdeeling Sambas, een nieuwe Afdeeling „Singkawang" gevormd, waarin het burgerlijk en militair .gezag in één hand werd gebracht; ter betere verbinding van de bestuursposten werd de aanleg van een telefoonnet en van verbindingswegen ter hand genomen.

In 1915 was de politieke toestand veel gunstiger; er hadden nergens meer rustverstoringen plaats; ook in de jaren 1916 en 1917 werd daarvan niet vernomen, althans niet van ernstige. Rekening moet hierbij worden gehouden met het feit, dat de licht ontvlambare Dajaksche bevolking, zooals kortelings weer in Sekadau gebleken is, altijd gemakkelijk door een of anderen woelgeest tot verzet is over te halen. Meer dan van plaatselijke beteekenis zijn zulke opstootjes echter niet meer geweest.

Tijdens de Chineesche onlusten namen de Maleiers eene voor het Gouvernement „welwillende neutraliteit" in acht.

Op politiek gebied dient nog vermeld, dat in 1914 de Sarikat-Islam afdeelingen poogde tot stand te brengen te Pontianak, Sintang en Ketapang. Deze zijn later ook opgericht, doch ondervonden slechts matige belangstelling onder de z.g. Maleiers. In Ketapang echter werd sinds 1914 gedurende eenigen tijd een verhoogd godsdienstig leven waargenomen.

Nog steeds is de troepenmacht versterkt en wordt er in het geheele gewest gepatrouilleerd. Nog steeds dient gewaakt te worden tegen lieden, die meenen er belang bij te hebben, om onrust te verwekken; van eene samenwerking dier elementen is echter geen sprake, voorzoover het Inlanders betreft. Aangaande de Chineezen blijft echter groote waakzaamheid geboden. Aan hun grief, dat in Ned.-Indië alleen zij op grond deiRegeling van 1857 verplicht waren tot het verrichten van heerendiensten,

Sluiten