Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dier lijfrente en zulks in overeenstemming met art. 968 B. W.

De legitimaris mist het recht om te eischen van den rentschuldige betaling der lijfrente aan hem, legitimaris, tot het beloop van het bedrag, waarvoor hij inkorting vraagt aan den begiftigde ; de ongeoorloofde begiftiging heeft geen rechtsband in het leven geroepen tusschen den legitimaris en den rentschuldige.

In no. 1385 te lezen achter W. 8835: W. v. N. R. 2061.

Na no. 1772 te lezen:

De in art. 1122 B. W. omschreven beschikking heeft alleen ten doel om, tijdens de onverdeeldheid van eenen aan meer dan éénen erfgenaam gemeenen boedel, verkoop van bestanddeelen diens gemeenen boedels rechtsgeldig ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen tot stand te brengen; het artikel is dus niet toepasselijk op het geval, dat de eigendommen van één minderjarige, die uitsluitend eigenaar is, worden verkocht. — H. R. 15 April 1909, concl. conf.; W. 8859; W. v. N. R. 2664; W. v. Not 199.

Na no. 1910 te lezen:

Art. 1158 B. W. verbiedt niet, dat door de deelgerechtigden wederkeerig is verleend décharge en afstand gedaan van alle actie ter zake der nalatenschap, waardoor ook is uitgesloten elke vordering tot nadere scheiding wegens het enkel overgeslagen zijn van een of meer voorwerpen, tot den boedel behoorende. — H. R. 26 Maart 1909, concl. conf.; W. 8847; W. v. N. R. 2062.

In no. 1990 te lezen: W. v. N. R. 2064 achter W. 8814.

Na no. 2066 te lezen:

Prof. mr. J. P. Moltzer. Verpanding van hypothecaire vorderingen (betreffende de aanteekening van verpandingen in de openbare registers) — W. v. N. R. 1057.

E. van Steenbergen. Idem (met naschrift van mr. Moltzer). — W. v. N. R. 1059 en 1061.

Na no. 2075 te lezen:

Kennisgeving der verpanding aan den hypothecairen schuldenaar, geschied na het faillissement van den pandgever, vestigt geen pandrecht. Hiertegen doet niet af, dat art. 1199 B. W. niet aangeeft wanneer die kennisgeving moet geschieden, noch dat art. 35 der Faillissementswet van het pandrecht geen melding maakt. — Hof Amsterdam 15 Januari 1909 (met bevestiging Rechtb. Haarlem 15 Januari 1907); W. 8855.

Na no. 2123 te lezen:

Art. 1209.

Wanneer bij ééne akte hypotheek is verleend ten behoeve van onderscheidene schuldeischers en het bedrag, waarvoor hypotheek is toegestaan, niet ten opzichte van ieder der schuldeischers afzonderlijk, maar voor allen te zamen is bepaald, staan hunne rechten op het verbonden goed, ten beloope van dat voor hunne gezamenlijke inschulden bepaalde bedrag uit den aard der zaak gelijk en kan alzoo ieder hunner zijn recht daarop slechts vervolgen voor een zooveelste bedrag als er schuldeischers zijn. — Hof 's-Gravenhage 18 Maart 1901; W. 7629; Not. W. 79 en 102; W. v. N. R. 1688; P. v. J. 1901, 100; (bevestigende

Sluiten