Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo heeft toch de Staat als eigenaar de heerschappij over die zaken en is hij als rechthebbende bevoegd het beheer en gebruik daarvan te regelen en omtrent den toegang daartoe voorschriften te geven. — H. R. 11 December 1899; W. 7374; P. v. J. 1900, 11; v. d. H. Strafr. 1899, 482; N. R. CLXXXIII, 410.

82. De vraag of een zaak al of niet behoort tot het publiek domein van den Staat, moet worden beslist naar de bepalingen der wet, geldende tijdens het instellen der actie. Voor de toepassing van art. 577 B. W. is het voldoende, dat een weg in zijn geheel wordt onderhouden door den Staat en kan niet worden tegengeworpen, dat sommige onderdeelen daarvan, als bruggen, duikers enz. in onderhoud zijn bij particulieren. Onder titel in het slot van dit artikel wordt verstaan een titel afkomstig van iemand, die gerechtigd is om over den eigendom te beschikken volgens art. 639 B. W., d. i. van iemand, die indertijd van den Staat recht of toestemming had verkregen. Hij die een vaart graaft door een rijksweg of heerweg, waarvan de Staat eigenaar is en daarover een brug bouwt, hetzij met, hetzij zonder toestemming van den Staat, wordt daardoor geen eigenaar van het gedeelte weg, dat doorsneden wordt, zelfs al geschiedt een en ander op zijne kosten, doch de Staat blijft eigenaar van dat gedeelte weg en de brug daarover gebouwd, volgens den algemeenen regel, dat de eigenaar van den grond eigenaar wordt van al hetgeen daarop door derden wordt gebouwd. Heerwegen zijn altijd geweest jure publico eigendom van en toebehoorende aan den landsheer. Zij konden door derden niet geusucapieerd worden, evenmin als thans de rijkswegen. — Rechtb. Utrecht 5 Mei 1880; N. R, B. 1881, A 39.

83. Uit het feit dat het publiek vroeger gebruik heeft gemaakt van een terrein, door er ongehinderd over te gaan en te rijden, volgt niet, dat dit terrein een openbare weg is. Kadastrale plannen en leggers van gemeentewege kunnen niet dienen tot bewijs van het werkelijk bestaan dier wegen. — Rechtb. Zutfen 25 April 1878; W. B. A. 1520.

84. Als een weg behoort tot de rijkswegen, niettegenstaande het eigendomsrecht van een particulier op een brug, waarover die weg leidt, is het Rijk bevoegd concessie te geven tot exploitatie van een stoomtram. Het leggen van spoorstaven op die brug brengt geen rechtskrenking te weeg. — Hof Amsterdam 3 Juni 1881; W. 4668; W. B. A. 1697; N. R. B. 1882, A. 8.

85. Hoewel het Burgerlijk Wetboek niet evenals de Code Givil met zoovele woorden uitmaakt, dat de wegen en dergelijke ten algemeenen nutte bestemde Staatseigendommen niet vatbaar zijn voor privaat-eigendom en alleen bepaalt, dat zij aan den Staat behooren zonder tusschen publiek en privaat eigendom te onderscheiden, zoo bestaat dit onderscheid evenwel ook naar Nederlandsch recht, daar het ook zonder wettelijke sanctie zijn grond vindt in den aard der zaken, terwijl ook het wetboek die onderscheiding erkent blijkens de bepaling van art. 676, waarin uitdrukkelijk het openbaar domein wordt genoemd.

Openbare rijkswegen moeten worden beoordeeld naar het recht, dat voor het publiek domein geldt, hetgeen medebrengt, dat zij zijn buiten den handel ; immers aan het privaatrechterlijk verkeer onttrokken, met dat gevolg dat daarop geen private rechten kunnen worden uitgeoefend, tenzij die volgens dit artikel door titel of bezit mochten zijn verkregen. — Hof Arnhem 19 December 1894.

Sluiten