Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

131. Iemand kan niet met grond bebeweren bezitter van eenig voorwerp te zijn, wanneer blijkt, dat hij dat voorwerp onder zich heeft genomen met het voornemen er pandrecht op te vestigen. — Rechtb. Rotterdam 15 December 1902 ; P. v. J. 1903, 207.

132. Terecht is aangenomen, dat het bezit van een geheel meer niet kan worden betwist op grond van het feit, dat enkele aangelanden over eene geringe uitgestrektheid van den oever, zij het dan ook regelmatig, de daar groeiende waterplanten inzamelen. — H. R. 31 Maart 1904, concl. conf.; W. 8055; P. v. J. 1904, 347; N. R. CXCVI, 484.

133. Iemand, die een put liet graven, aanvankelijk vast overtuigd, dat die put geheel op zijn grond kwam te liggen, wordt daardoor civiel bezitter van dien put, ook al blijkt later, dat hij zich vergist heeft en de put slechts half op zijnen grond is komen te liggen. Vraagt en verkrijgt hij, na zijne vergissing bemerkt te hebben, van zijnen buurman verlof om den put nog een jaar ter plaatse te laten liggen, dan blijft hij bezitter van den heelen put; van een constitutum possessorium ten aanzien van de heltt op zijns buurmans erf, krachtens hetwelk hij die helft zou zijn gaan houden voor zijnen buurman, kan dan geen sprake zijn. Immers krachtens die overeenkomst contineeurt hij zijn vooromschreven bezit in zijn geheel. — Rechtb. Tiel 11 Maart en 18 November 1904; W. 8227.

134. Wanneer twee partijen gelijkelijk gebruik maken van een goot, dan kan een der partijen tegenover de andere ten bewijze van het bezit dier goot geen beroep doen op dat door haar van de goot gemaakte gebruik. — Rechtb. Breda 6 December 1904; W. 8247.

135. Bezit is geen feit maar eene gevolgtrekking uit feiten. — Rechtb. Leeuwarden 10 Januari 1907; W. 8514; W. v. N. R. 1983.

Art. 587.

136. Bezit te goeder trouw kan niet aangenomen worden, indien hij, die er zich op beroept, bij zijne handelingen betwisting en stoornis vanwege den eigenaar heeft ondervonden. — Rechtb. Tiel 18 April 1890; W. 5882.

137. Bezitter van een erf, die dat erf verkreeg krachtens koop en die, toen hij het in zijne feitelijke macht kreeg, wel ten onrechte maar toch te goeder trouw meende, dat zijn titel van verkrijg in de daartoe bestemde registers was overgeschreven, moet geacht worden dat erf te goeder trouw te bezitten. — H. R. 14 December 1906, concl. conf.; W. 8472; P. v. J. 1907, 650; W. v. N. R. 1943; N. R. CC1V 251; W. v. Not. 72.

Art. 588.

138. Mr. H. J. Biederlack. Art. 588, alin. 2, B. W. — Them. XLVIII, 466.

139. Het bezit van een stuk grond zelfs te kwader trouw, is op zich zelf geen onrechtmatige daad, maar een rechtstoestand, welke o. a. het gevolg heeft, dat de bezitter bij voorraad en tot het tijdstip der gerechtelijke opvordering als eigenaar wordt aangemerkt. — H. R. 10 April 1879; v. d. H. B. R. XLIV, no. 1635, 131.

140. De dagvaarding, waarin gezegd wordt, dat de gedaagde zekere gedeelten weg zonder het minste recht heeft ingenomen, geeft voldoende te kennen, dat de eischer aan zijde van den gedaagde kwade trouw stelt. — Rechtb. 's-Hertogenboscli 27 October 1882; W. 4850.

Sluiten