Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handdadig mede hebben verricht; integendeel kan het gezamenlijk bezit van een medebezitter worden aangenomen, als deze blijkbaar in de daadwerkelijke uitoefening heeft ingestemd en in de vruchten en inkomsten daarvan heeft gedeeld en gedeeltelijk tot de daden der bezitsuitoefening heeft medegewerkt. — H. R. 31 Maart 1904, concl. conf.; W. 8055; P. v. J. 1904, 347; N. R. CXCVI, 484.

Art. 596.

187. Het voorschrift van het eerste lid van dit artikel geldt niet alleen ten opzichte van levering door een derde, maar is ook van toepassing, als het zaken geldt die zooals visschen aan niemand toebehooren. — H. R. 9 Mei 1881, concl. conf.; W 4644; N. R. CXXVIII, 41; v. d H., Strafr. 1881, 93.

188. Het bezit eener zaak als eigenaar ter verkrijging van verjaring kan worden voortgezet door middel van den precarius. — H. R. 21 December 1883; W. 4999.

189. Wanneer een kooper van roerende goederen den verkooper als beheerder dier goederen, d. w. z. als zijn lasthebber aanstelt en deze die opdracht aanneemt, dan begint de laatste vanaf het oogenblik van het aannemen van dien last voor den kooper te bezitten. — Rechtb. Haarlem 12 Februari 1895; W. 6632.

190. Hij, die de door hem verkochte roerende lichamelijke goederen van den kooper in bruikleen neemt, moet geacht worden in diens naam te bezitten, welk bezitrecht ook ten aanzien van derden geldt. — H. R. 22 Februari 1889, concl. contr.; W. 5684; R. W. v. N. 694; P. v. J. 1889, 35; N. R. CLI, 201; W. v. N. R. 1020; v. d. H., B. R. LV, 88.

191. Hij, die een door hem verkochte verplaatsbare tent tot nadere opzegging van den kooper in bruikleen neemt, heeft terstond na het sluiten dier overeenkomst, begonnen voor den kooper te bezitten. — Rechtb. 's-Gravenhage 3 Mei 1889; R. W. v. N. 651; W. v. N. R. 1013.

192. Uit dit artikel volgt, dat hij, die een hem toebehoorend goed aan een ander verkoopt met bepaling, dat hij het in bruikleen zal houden dadelijk na het sluiten der overeenkomst, aanvangt voor den kooper te bezitten en er dus ook zonder feitelijke levering eigendomsovergang plaats heeft (constitutum possessoriüm). — Rechtb. Haarlem 5 December 1893; W. 6430; P. v. J. 1895, 103; W. v. N. R. 1263; Mb. Dw. IX, 12.

193. Het is volstrekt niet noodig, dat de verkooper van roerende goederen bij dezelfde akte van verkoop die goederen in huur houdt; dit kan bij afzonderlijke akte geschieden. — Hof 's-Hertogenbosch 14 April 1908; W. 8758; W. v. Not. 167; P. v. J. 776.

Art. 601.

194. De zin van dit artikel is niet, dat de oude bezitter nog een jaar lang bezitter blijft van de zaak, waarvan een ander zich in het bezit heeft gesteld, zoodat deze laatste gedurende dat jaar niet als bezitter zou kunnen aangemerkt worden, wat met de artt. 594, 598 en 618 B. W. niet zou zijn overeen te brengen maar wel dat eerst door een éénjarig bezit van den nieuwen bezitter het verlies van bezit voor den ouden bezitter onherroepelijk wordt en deze dus, zoolang die termijn niet is verstreken, het recht behoudt zijn verloren bezit terug te vorderen, te vragen daarin te worden hersteld. — H. R. 10 Januari 1890; W. 5822; P. v. J. 1890, 18; v. d. H. B. R. LVI, 1.

Sluiten