Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

195. Dit artikel brengt niet mede, dat de vroegere bezitter nog een jaar lang het bezit of medebezit zoude behouden van de zaak, waarvan een ander zich in het bezit heeft gesteld, maar alleen dat eerst na verloop van een jaar het verlies van het bezit onherroepelijk wordt, zoodat binnen dat jaar de oude bezitter nog kan vorderen, in het bezit te worden hersteld; dit artikel geeft echter aan den ouden bezitter niet het recht om zich via facti weer van het bezit te verzekeren. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 3 Maart 1899; W. 7410; W. v. N. R. 1540 en 1603.

Art. 602.

196. Als het openbaar gezag eenig gestolen goed in beslag neemt, dan blijft toch de persoon, onder wien dat goed in beslag wordt genomen, houder daarvan; eene revindicatie van dat gestolen goed moet dus tegen dien houder worden gericht. — Rechtb. Arnhem 20 Mei 1895; W. 6700.

Derde Afdeeling.

Van de rechten, die uit het bezit voortvloeien.

Art. 604

197. Uit artt. 604, 1° en 605, 2o B. W. volgt wel, dat naar burgerlijk recht, de bezitter voorloopig als eigenaar wordt aangemerkt, maar hieruit mag niet worden afgeleid, dat die bepalingen ook gelden bij de toepassing der Strafwet, zoodat de bescherming, die deze aan den eigenaar verleent, ook komt ten goede van den bezitter tegenover den eigenaar; dus is in den zin van art. 2 der Jachtwet de bezitter te goeder of te kwader trouw niet te beschouwen als eigenaar van den grond, die bejaagd of van het water, dat bevischt wordt. — H. R. 14 Januari 1878; W. 4217; N. R. CXVI1I, 26; v. d. H., J en V. Vilt, 238.

Art. 605.

198. Nu eenmaal volgens art. 605,1° B. W., in verband met art. 604,1° B. W., het bezit te kwader trouw niet minder dan het bezit te goeder trouw aan den bezitter het recht geeft om bij voorraad eu tot op het tijdstip der gerechtelijke terugvordering te worden aangemerkt als eigenaar, nu kan ook niet worden aangenomen, dat een bezitter te kwader trouw, die het voorwerp van zijn bezit gebruikt, daardoor zou plegen eene onrechtmatige daad; immers hij maakt dan slechts gebruik van zijn recht als quasi eigenaar. De ware eigenaar heeft dan ook ter zake van dat gebruik geene vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad, zoodanige vordering zou alleen kunnen zijn het accessoir eener vordering tot handhaving van het eigendomsrecht. — H. R. 10 April 1879, concl. conf.; W. 4366; N. R. CXXI, 340; v. d. H. B. R. XLIV, 131.

199. De bezitter te kwader trouw pleegt tegenover den eigenaar, geen onrechtmatige daad door zich de vruchten der zaak toe te eigenen. — Rechtb. Tiel 19 Mei 1893; W. 6348. Bev. door Hof Arnhem 14 Maart 1894; W. 6699. Cassatie verworpen bij het volgende arrest.

200. Als enkel wordt gevorderd schadevergoeding wegens beweerde onrechtmatigheid van de toeëigening der vruchten van zekeren grond, komt, waar vaststaat, dat de gedaagde gedurende een reeks van jaren in het openbaar met medeweten van den eischenden eigenaar van den grond heeft beschikt over de vruchten, die hij zich heeft toegeëigend zonder eenige bepaalde betwisting van zijn bezit van het recht van vruchtgebruik door den eischer, een onderzoek of dat bezit is geweest te goeder dan wel te kwader trouw, niet te pas. De uitoefening van het bij dit artikel erkend

Sluiten