Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaard. — Rechtb. Amsterdam 17 Mei 1900; W. 7478.

228. Het maken van eene opening en daarna van eene deur in een muur, dienende tot afsluiting van een portaal en kast, levert niet op stoornis in de erfdienstbaarheid van dit portaal en kast te mogen hebben, daar immers eene mogelijke vrees voor belemmering in de uitoefening dier erfdienstbaarheid niet met stoornis of belemmering is gelijk te stellen. — Rechtb. 's-Gravenhage 25 October 1905; W. 8300.

229. Tot opheffing eener gepleegde bezitsstoornis kan niet worden volstaan met een feitelijk herstel, maar is daarenboven noodig eene erkenning van het bezit der wederpartij en van de gepleegde stoornis.

De acties van de artt. 606 en 618 B. W. hebben dezelfde strekking, n.1. den bezitter te vrijwaren wegens de gevolgen van stoornis in het bezit, indien de stoornis met gedeeltelijk of geheel verlies van het bezit gepaard gaat, echter met dit onderscheid dat die van art. 606 kan dienen tot handhaving in het gestoord bezit, ook als dit gepaard gaat met gedeeltelijk verlies van het bezit, zoodat daardoor volgens art. 616 B. W. alle gevolgen van die stoornis en dat gedeeltelijk verlies worden opgeheven, terwijl de actie van art. 618 B. W. slechts te pas komt bij stoornis, gepaard met geheel verlies van een erf of gebouw zonder geweld, doch overigens gelijke strekking en gevolgen heeft als die van art. 606 B. W. — Rechtb. Almelo 30 September 1904; W. 8177; P. v. J. 1905, 422.

Art. 609.

230. De vordering van dit artikel is niet een actie tot handhaving in het

bezit van een niet voortdurende of niet zichtbare erfdienstbaarheid. De provisioneele regeling, bij dit artikel bedoeld, is niet aan te merken als een zelfstandige vordering, wier appelabiliteit naar andere regelen zou moeten worden beoordeeld dan die der hoofdzaak, welke zij volgt. Waar de toepassing van art. 609 B. W. wordt verzocht, is de rechter geroepen te onderzoeken of het geschil loopt over de geldigheid van den rechtstitel van eene erfdienstbaarheid en kan hij dit doende, niet geacht worden, zijn rechtsmacht te overschrijden. Als de rechter beslist dat de geldigheid van den constitutieven titel niet wordt betwist, wordt daaruit terecht afgeleid dat de noodzakelijke voorwaarde tot het instellen en toewijzen van den provisioneelen eisch ontbreekt. — H. R. 11 Maart 1881, concl. conf.; W. 4624; N. R. B. 1881, A. 90; v. d. H., B. R. XLVI, 124; N. R. CXXVII, 181.

Art. 613.

231. Hij, die na het feitelijk bezit van een huis te hebben verloren tengevolge van zijne uitzetting door den eigenaar, zich opnieuw in bezit van dat huis stelt, moet geacht worden, dat bezit door geweld te hebben verkregen. — Rechtb. Assen 1 Februari 1886; W. 5328; R. W. IV, 571.

232. Hij, die handelingen pleegt, die stoornis in het bezit kunnen opleveren, moet aantoonen dat hij de bedoeling niet had om zich het bezit aan te matigen, wil hij de actie tot handhaving in het bezit tegen hem ingesteld, met goed gevolg bestrijden. Niet omgekeerd zal degene, die de actie tot handhaving in het bezit instelt, moeten bewijzen dat de gepleegde handelingen die stoornis in het bezit kunnen opleveren, die bedoeling hadden. Deze rechtsvordering

Sluiten