Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cussies in de vergadering der Ned. J. V. 1887, II, 206. Cf. Overzicht der praeadviezen, W. 5436.

Verslag van het verhandelde op de Vergadering der Ned. J. V. Augustus 1887. — W. 5449; P. v. J. 1887, 38; W. B. A. 1995.

284. N. Cramer. Beperking van den eigendom in de nabijheid van vestingen. — Ac. Pr. Leiden 1889.

285. De bepaling eener waterschapskeur, dat de ingelanden zullen moeten gedoogen, dat de aarde en andere speciën op het naastliggend land geworpen worden, doet noch aan onteigening noch aan de vestiging eener erfdienstbaarheid denken doch houdt eene krachtens art. 625 B. W. geoorloofde beperking van den eigendom in. — Rechtb. Groningen 14 Februari 1878; W. 4408; W. B. A. 1597. In tegenovergestelden zin H. R. 9 Februari 1877; W. 4098; W. B. A. 1457; v. d. H., B. R. XLII, 94; Gemst. 1347.

286. De bepaling in een waterschapskeur voorkomende dat het aan eiken ingeland verboden is de vrije vaart door de weteringen, vlieten en hoofdeningen te beletten of te belemmeren bevat geene onteigening; daardoor wordt ook geen recht van erfdienstbaarheid gevestigd. Het is alleen te beschouwen als eene geoorloofde beperking van den waterweg in het openbaar belang en zij overschrijdt niet de grenzen van het waterschapsbelang. — H. R. 21 October 1878, concl. contra; W. 4319; W. B. A. 1546; v. d. H„ G. Z. XXXI, 136; N. R. CXX, 76; Lutt. 1878, 173.

287. Noch art. 147 der Grondwet, noch art. 625 B. W. geven op zich zelve eene algemeene bevoegdheid aan eenige

macht in den Staat om zonder verdere wettelijke aanduiding, hetzij genot van een zaak aan den eigenaar te ontnemen of dat te beperken, maar er wordt hiertoe vereischt, dat de bevoegdheid van elk bizonder geval zij gegrond in een daartoe strekkende wet of een openbare verordening daargesteld door een macht, die daartoe volgens de Grondwet de bevoegdheid heeft. — H. R. 7 Juni 1881, concl. conf.; W. 4660; v. d. H., B. R. XLVI, 8; N. R. CXXVII, 23.

288. Het recht om bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur te verbieden het doen van ingravingen binnen den afstand van een el achter het jaagpad langs een kanaal volgt noodwendig uit de bevoegdheid der Kroon om maatregelen vast te stellen in het belang van den waterstaat in verband met de bij dit artikel toegestane bevoegdheid om bij reglement den particulieren eigendom te beperken. — H. R. 26 Januari 1880, concl. conf.; W. 4477; N. R. CXXIV, 108; v. d. H., G. Z. XXXII, 128.

289. De provinciale wetgever is bevoegd het eigen gebruik van eigendom bij verordening te beperken. Van schending van art. 625 B. W. kan geene sprake zijn waar Provinciale Staten handelen binnen de grenzen hunner bevoegdheid. — H. R. 12 November 1880, concl. conf.; W. 4575; W. B. A. 1646 en 1647; N. R. CXXVI, 132; v. d. H., B. R. XLV, 335; Gemst. 1527.

290. Bij gemeenteverordening kan aan de eigenaars van gronden niet worden verboden om zonder vergunning van B. en W. in eene gemeente op eenig perceel niet aan den openbaren weg gelegen te bouwen. Zoodanig verbod is in strijd met art. 625 B. W. — Kantong. Enschedé 22 Maart 1882; W. B. A. 1724.

Sluiten