Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is opgedragen, op liet naast liggend land geschieden en de speciën er opgeworpen worden en tevens aan de ingelanden de verplichting wordt opgelegd om de specie bij het uitschoonen der wateringen op hun land geworpen op aanzegging van het bestuur weg te ruimen. — H R. 26 April 1889; W. 5709; P. v. J. 1889, 58; W. B. A. 2091; N. R. CLI, § 67,470.

307. Ten gevolge van verordeningen van de bevoegde macht uitgegaan kan de uitoefening van een recht van erfdienstbaarheid en van het eigendomsgebruik alleen beperkt worden maar niet te niet gaan. Dit laatste heeft plaats, waar datgene, waartoe de erfdienstbaarheid recht geeft, door eene strafverordening wordt verboden, zij het dan ook dat de werken, waardoor van de erfdienstbaarheid blijkt, in stand worden gelaten. Hieruit volgt, dat bij eene strafvervolging ter zake dat, in strijd met eene plaatselijke politieverordening houdende verbod de faecaliën der secreten zonder vergunning van burgemeester en wethouders op andere wijze dan door middel van tonnen te bewaren, te verwijderen of te doen verwijderen de faecaliën van een secreet bij den beklaagde in gebruik op zeker tijdstip uitliepen in een kanaaltje, dat zich ontlast in een sloot, zonder vergunning van burgemeester en wethouders het beroep van den beklaagde op eene door verjaring verkregen zichbare en voortdurende erfdienstbaarheid ter uitloozing in dien sloot grond kan opleveren tot schorsing krachtens art. 6 Wetb. v. Strafr. — H. R. 25 November 1889; W. 5805; N. R. CLIII, § 38, 284.

308. De bepaling eener bouwverordening, dat een nieuw huis niet mag worden betrokken zonder dat door B. en W. eene verklaring is afgegeven, waaruit blijkt, dat de bepalingen in de

verordening opgenomen omtrent den bouw van huizen zijn nageleefd, houdt eene geoorloofde beperking van het eigendomsrecht in. — H. R. 22 Februari 1892, concl. conf.; W. 6160; P. v. J. 1892, 47; W. B. A. 2237; N. R. CLX, 247; v. d. H., G. Z. XL, 38.

309. In dit artikel moeten onder openbare verordeningen worden verstaan de zoodanige, die bestemd zijn om algemeen te werken en in toekomstige gevallen te voorzien. Het staat derhalve den gemeenteraad niet vrij om bij wijze van bizondere regeling naar de inzichten van het oogenblik, passend voor het geval, dat zich voordoet, het eigendomsrecht te beperken. — H. R. 20 Januari 1896, concl. conf.; W. 6763; P. v. J. 1896, 11; N. R. CLXXII, 73; v. d. H., G. Z. XLII, 9; W. B. A. 2443; Gemst. 2320; Lutt. 1896, 19.

310. De bepaling eener verordening, houdende het verbod om buiten de woning op den openbaren weg keldertrappen en kelderluiken te hebben zonder vergunning van B. en W. met bepaling dat die verordening ook zal gelden voor reeds bestaande keldertrappen en kelderluiken, met dien verstande dat deze zullen geacht worden met vergunning van B. en W. te zijn gemaakt, zoolang althans derzelver opruiming niet is gelast, is niet in strijd met dit artikel, vermits zij het gebruik van den eigendom niet buiten de grenzen van het in dit artikel bepaalde beperkt. — H. R. 12 April 1898, concl. conf.; W. 7112; P. v. J. 1898, 37; W. B. A. 2563; Gemst. 2446; N. R. CLXXVIII, 472; v. d. H , G. Z. XLIV, 35.

311. Eene rooilijn mag niet zoodanig worden gesteld, dat haar ten gevolge van een stuk gronds ten nadeele van den eigenaar eene bestemming tot openbaren weg gegeven wordt, welke het

Sluiten