Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlies van het gebruik van dat stuk grond ten gevolge heeft. — Kantong. Enschedé 13 Juli 1898; P. v. J. 1898, 60.

312. De bepaling eener verordening, dat de eigenaar gehouden zal zijn om zijn sloot in het belang der openbare gezondheid te dempen, bevat eene bij dit artikel geoorloofde beperking van den eigendom. — Kantong. Dordrecht 13 April 1898; P. v. J. 1898, 33.

313. Eene gemeentelijke verordening, houdende „het is verboden langs de straten te bouwen, te stellen of te vernieuwen muren, schutsels, heiningen of dergelijke afsluiting tot bevrijding van erven of tot eenig ander doel tenzij met schriftelijke vergunning van B. en W. houdt in, noch eene verboden beperking van eigendom, noch eene verbodene delegatie van wetgevende macht. — H. R. 28 Mei 1900, concl. conf.; W. 7468; P. v. J. 1900, 65; W. B. A. 2672; Gemst. 2553.

314. De bepaling eener gemeenteverordening houdende verbod om op particuliere gronden wegen, straten of voetpaden aan te leggen, die voor het algemeen toegankelijk zijn of die aan openbare wegen aansluiten, bevat eene geoorloofde beperking van het gebruik van den bizonderen eigendom. — H. R. 8 October 1900, concl. conf.; W. 7501; P. v. J. 1900, 91; v. d. H., G. Z. XLV, 134; N. R. CLXXXVI, 35.

315. Eene verordening, houdende bepaling eener rooilijn zoodanig, dat een deel van het particulier eigendom niet kan worden bebouwd, is niet in strijd met dit artikel, vermits daardoor het eigendom alleen wordt beperkt en niet ontnomen. Hierin wordt geene verandering gebracht, doordat eene andere

bepaling derzelfde verordening voorschrijft, dat onder openbare straat verstaan wordt de grond tusschen de rooilijnen aan weerszijden van de straat. Immers, al moge deze bepaling niet te rijmen zijn met dit artikel, in geen geval kan de niet bindende kracht van deze bepaling van invloed zijn op de bindende kracht der eerste bepaling. — Hof Arnhem 17 December 1902; W. 7928.

316. Eene bouwverordening bepalende, dat een ter bebouwing bestemd terrein niet zal mogen worden bebouwd dan nadat door den gemeenteraad een behoorlijk plan van straten en wegen voor dat terrein zal zijn vastgesteld, houdt in eene geoorloofde beperking van den eigendom. — H. R. 13 Januari 1902, concl. conf.; W. 7711; P. v J. 1902,124; N. R. CXC, 49; Gemst. 2640; v. d. H., G. Z. XLVII, 5; Lutt. 1902, 9; Gem. Arch. I, 110.

317. Art. 1 der wet van 21 Juni 1901 (Stbl. 156) voorschrijvende, dat behoudens de uitzondering van het 2de lid, tot dekking van merriën slechts gebezigd mogen worden hengsten, die door de daar bedoelde keuringscommissiën zijn goedgekeurd, houdt eene volkomen geoorloofde beperking van den eigendom in als bedoeld bij dit artikel. — H. R. 10 November 1902, concl. conf.; W. 7837; P. v. J. 1903, 210; N. R. CXCII, 158.

318. Vermits door het vanwege B. en W. sluiten van een in een huis gehouden openlijke inrichting van ontucht het eigendomsrecht van dat huis niet wordt ontnomen, doch slechts wordt beperkt, kan in casu slechts sprake zijn van eene geoorloofde beperking van het eigendomsrecht en niet van eene ongeoorloofde beschikking daarvan. — Hof Amsterdam 23 December 1902; W. 7861; W. B. A. 2804.

Sluiten