Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

319. Het bevel om eene pomp, die voor de gezondheid schadelijk water oplevert, af te breken en daarna afgesloten te houden, heft den eigendom van die pomp niet op en tast hem ook niet aan; het uitsluitend gebruik daarvan als eigenaar blijft den eigenaar gewaarborgd, indien door eene betere watervoorziening haar voor de openbare gezondheid schadelijk karakter verdwijnt. — H. R. 19 October 1903, concl. conf.; W. 7974; P. v. J. 1903,287; Lutt. 1903, 317; Gemst. 2722.

320. Het verbod van uitstallingen op stoepen beperkt wel het vrije gebruik dier stoepen maar bestemt deze niet voor den algemeenen dienst tegen den wil des eigenaars. — H. R. 12 Januari 1903, concl. conf.; W. 7865; P. v. J.

1903, 218; N. R. CXCIII, 67.

321. Krachtens het voorschrift van art. 625 B. W. kan bij verordening zoodanige beperking van den eigendom worden vastgesteld als waardoor den eigenaar het geheele genot van zijn eigendom, niet die eigendom zelf wordt ontnomen. — Rechtb. Amsterdam 9 Mei 1906; W. 8508; W. v. N. R. 1932; Gemst. 2900; W. B. A. 3019.

322. De beperking waaraan het eigendomsrecht door eene gemeenteverordening wordt onderworpen, kan nooit zoover gaan, dat daardoor het gebruik der in eigendom bezeten zaak voor den eigenaar geheel of ten deele ophoudt te bestaan. Dit nu is het geval in — en mitsdien moet bindende kracht worden ontzegd aan — eene verordening, waarbij aan den eigenaar het dulden van de plaatsing van palen in zijn grond wordt opgelegd. — H. R. 14 Maart

1904, concl. contr.; W. 8050; P. v. J. 1904, 314; W. B. A. 2867; Lutt. 1904, 108; N. R. CXCVI, 404.

323. Het beginsel van dit artikel brengt mede, dat, wanneer men in de bebouwde kom eener stad vlak langs de grenslijn van zijn perceel bouwt, men er op behoort te rekenen, dat aan de andere zijde dier lijn ook gebouwd zal worden en met het oog daarop zijne fundeeringen zoo moet maken, dat het bouwen daarnaast niet onmogelijk of onevenredig bezwaarlijk en kostbaar wordt gemaakt.

De naastligger bouwende moet zijnerzijds met het gebouw van zijn buurman rekening houden en voorzorgen nemen dat hij daaraan geen schade toebrengt.

— Hof Arnhem 11 December 1907; W. 8729; W. v. Not. 165; W. v. N. R 2035.

324. A. L. van Luyk. Onteigening. T. A. R. XI, 120, 187 en 229.

325. Mr. H. Krabbe. Onteigening ten algemeenen nutte. — R. M. XII, 161.

326. F. D. de Boer. Eenige opmerkingen naar aanleiding van art. 17 en 18 der Onteigeningswet. — Ac. Pr. Groningen 1883. Aangek, door mr. S. Katz. P. v. J. 1883, 41.

327. Jhr. Mr. J. Roëll. Twee vragen aangaande de wet tot verklaring van algemeen nut vermeld in art. 10 der Onteigeningswet in verband met den aanleg van openbare werken. — Bijdragen Boer en Fruin XXVI, 1.

328. Mr. H. L. Drucker. De schadeloosstelling des eigenaars in geval van onteigening. — R. M. V, 185.

329. J. J. Creutz. De onteigening in de grondwetten van 1848 en 1887. — Ac. Pr. Leiden 1889.

330. J. P. Cleveringa. De onteigenende partij tegenover de politieverordening.

— Ac. Pr. Groningen 1889.

Sluiten