Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te bepalen, welke van de drie schattingen moeten worden gevolgd, ook zonder dat daaromtrent een advies van de deskundigen is uitgebracht, — H. R. 30 November 1896; P. v. J. 1896, 102. H. R. 7 December 1896; W. 6900; P. v. J. 1897, 2.

364. Bloote eventualiteitsschade maakt geen bestanddeel uit van de werkelijke schade, die art. 40 der Onteigeningswet alleen wil vergoed hebben. De gelegenheid tot verkoop van het onteigende water tegelijk met het aangelegen land, van welke aangelegenheid hoegenaamd niet blijkt, is eene geheel onzekere mogelijkheid, die alleen in aanmerking zou kunnen komen bij de berekening van eene eventueele, niet bij die van de werkelijke schade door de onteigening geleden. — H. R, 30 November 1896; W. 6891; P. v. J. 1896, 102.

365. Waardevermindering van weiland, wegens gevaar voor vee te veroorzaken door een aan te leggen tramweg kan bij de onteigening van gronden voor dien tramweg geen element der toe te kennen schadevergoeding uitmaken, omdat die waardevermindering is een gevolg van de exploitatie van het aan te leggen werk, niet van het werk zelf. — H. R. 7 Juni 1898; W. 7136; P. v. J. 1898, 49; v. d. H.. B. R. LXIV, 275; N. R. CLXXIX, 173.

366. De normale huuropbrengst der te onteigenen perceelen aangenomen als maatstaf voor de waardebepaling dier perceelen. In den aanslag voor huurwaarde, berustende op de schatting naar de wet van 2 Mei 1897 (St. no. 24) gewijzigd bij de wet van 11 Januari 1904 vindt de Rechtbank daarentegen in verband met het doel dier schatting geen juisten maatstaf. — Rechtb. 's-Gravenhage 13 Maart 1908; W. 8762 en

dezelfde Rechtb. 20 Maart 1908; W. 8766.

Art. 626.

367. A. P. C. Hupkens van der Eist. De Nederlandsche Mijnwet. — Ac. Pr. Leiden 1888.

368. L. Eigendom van gebouwen enz. op den grond van een ander. — W. v. N. R. 874.

J. Gebouwen op eens anders grond. — W. v. N. R. 1266.

(Betreffende de vraag of door overeenkomst kan worden afgeweken van den regel van dit artikel.)

369. Mr. L. Ch. Besier. Superficies solo cedit. — R. M. XI, 446.

370. Art. 626 al. 1 B. W. bevat geen praesumtio juris et de jure, zoodat ieder tegenbewijs zou zijn uitgesloten. — H. R. 16 Mei 1884, concl. conf.; W. 5035; W. v. N. R. 816; v. d. H., Reg. VI, 429; N. R. CXXXVII, 64; P. W. 7059 en 7353.

371. Dit artikel spreekt alleen een vermoeden uit waartegen tegenbewijs is toegelaten. Verschillende verdiepingen van een gebouw kunnen derhalve aan verschillende eigenaren toebehooren. — H. R. 13 Februari 1891, concl. conf.; W. 5993; P. v. J. 1891, 22; R. W. v. N. 709; N. R. CLVII, 119; P. W. 8062; T. v. N. IX, 8; v. d. H., B. R. LVIII, 65. In denzelfden zin Hof Amsterdam 27 Juni 1890; W. 5912; P. v. J. 1890, 72; R. W. v. N. 690; W. v. N. R. 1085; P. W. 7984. Hof Amsterdam 3 April 1891; W. 6039; P. v. J. 1891, 40; W. v. N. R. 1128; R. en W. 1891, 301; R. W. v. N. 723. Hof Amsterdam 24 Juni 1892; W. 6212; P. v. J. 1892, 86; W. v. N. R. 1191; R. W. v. N. 752; T. v. N. X, 157. Rechtb. Rotterdam 18 April

Sluiten