Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1901; W. 7657; Not. W. 110. Hof Amsterdam 1 Juni 1900; W. 7486. H. R. 1 Februari 1901, concl conf.; W. 7559; P. v. J. 1901, 22; Not. W. 87; N. R. CLXXXVII, 203; v. d. H., B. R. LXVII, 75.

372. De bepaling „dat de eigendom van den grond in zich bevat den eigendom van hetgeen op en in den grond is" houdt niet in een vermoeden, maar

is een verklaring met geen de minste beperkende strekking, eene algeineene bepaling, een stellig wetsvoorschrift. Zelfs aangenomen dat dit artikel een wettelijk vermoeden opleverde, dan zou hiertegen geen tegenbewijs zijn toegelaten, daar een dergelijk bewijs alleen

openstaat mdien de wet zelve het tegenbewijs uitdrukkelijk mocht hebben vrijgelaten. — Rechtb. Amsterdam 13 Juni 1889; W. 5749; W. v. N. R. 1035; R. W. v. N. 658; T. v. N. VII, 153; RW. 7841. (Vernietigd bij gemeld arr. Hof Amsterdam 27 Juni 1890.)

373. (Naar aanleiding van gemeld vonnis Rechtb. Amsterdam 13 Juni 1889.)

F. Art. 626 § 1 B. W. — W. v. N. R. 1036.

Duplex. Idem. — W. v. N. R. 1038. A. J M. van Lohuizen. Rechtsonzekerheid. Art. 626 B. W. — W. v. N. R. 1038.

Duplex. Superficies solo cedit. — W. v. N. R. 1040.

F. Art. 626 § 1 B. W. — W. v. N. R. 1040.

A. J. M. van Lohuizen. Naar aan-

1 leiding van art. 626 al. 1 B. W. — W. v. N. R 1041.

374. Wanneer vast staat, dat de be] lieden- en bovenverdieping van een

2 gebouw aan verschillende personen toe! behooren, kan het eigendomsrecht van ilden eigenaar der benedenverdieping zich

nimmer verder uitstrekken dan de vloer der bovenverdieping; waaruit volgt, dat die eigenaar der benedenverdieping niet gerechtigd was om hooger te bouwen. — H. R. 25 Maart 1892, concl. conf.; W. 6166; P. v. J. 1892, 60; W. v. N. R. 1173; N. R. CLX, 382; v. d. H., B. R. LVIII, 163.

375. Uit dit artikel volgt, dat een door de grensscheiding getrokken loodlijn ook boven en onder den grond aanwijst, waar de eigendom van den een ophoudt en die van den ander begint. Daartegen doet niets af, dat de eene eigenaar met verlof van den ander uitspringende werken buiten die loodlijn kan hebben zonder dat daarom het eigendomsrecht van dien tweeden hem ontnomen wordt. De eene eigenaar kan zelfs met toestemming van den ander uitspringende werken hebben, zonder dat daarom noodwendig het bestaan

eener erfdienstbaarheid behoeft te worden aangenomen. — H. R. 22 December 1882, concl. conf.; W. 4861; W. v. N. R. 753; v d. H, B. R XLVIII, 64; N. R. CXXXII, 264.

376. Het spannen van draden boven een perceel is een inbreuk op het recht, dat de eigenaar van dat perceel aan de wet ontleent om te beschikken over de ruimte boven zijn erf. Dit is een onrechtmatige daad, die de eigenaar niet behoeft te dulden. — Rechtb. Amsterdam 27 November 1883; W. 5023.

377. De eigenaar behoeft niet te

dulden, dat over zijn grond telephoondraden worden gespannen. — H. R. 24 December 1902, concl. conf.; W. 7849; P. v. J. 1903, 213; W. v. N. R. 1731; Not. W. 175; W. B. A. 2799 en 2800; N. R. CXCII, 303; v. d. H., B. R. LXVIII, 510; Lutt. 1902, 508. Conform het vonnis der Rechtb. Amsterdam

Sluiten