Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

415. De revindicatie van roerend goed kan uit den aard der zaak en naar den tekst der wet alleen worden ingesteld tegen den houder, wellicht ook tegen hem, die zich ter kwade trouw van de detentie van het gevindiceerde heeft ontdaan. — Rechtb. Breda 25 Februari 1890; W. 5905.

416. Wie krachtens wettigen titel de levering van eenig vast goed heeft verkregen, kan dat goed revindiceeren, ook al heeft hij het nummer in zijn bezit gehad. — Hoi 's-Gravenhage 3 Mei 1890; W. 5882.

417. Een in ruil bekomen pand kan niet worden gerevindiceerd zonder dat men er door levering eigenaar is geworden. — Hof Amsterdam 24 Juni 1890; P. v. J. 1890, 92.

418. Hij die tegen den houder van een onroerend goed eene rechtsvordering instelt tot terugvordering van dat goed en zich tot staving van zijn recht van eigendom beroept op rechtstitels, moet bewijzen, dat deze afkomstig zijn van hem, die gerechtigd was over dien eigendom te beschikken. — H. R. 17 April 1891; W. 6027; P. v. J. 1891, 44; R. W. v. N. 711; W. v. N. R. 1122; N. R. CLVII, 263; v. d. H., B. R. LVII, 132; T. v. N. IX, 77. In denzelfden zin Hof 's-Gravenhage 23 April 1906; W. 84Q6; W. v. Not. 63.

419. Dit artikel staat de revindicatie toe van elke zaak, zonder eenige onderscheiding te maken tusschen roerend of onroerend goed. Uit art. 721 en volg. R.v. blijkt dat de wet aan den eigenaar van roerend goed de bevoegdheid toekent om dit te revindiceeren. Het tegendeel volgt niet uit art. 2014 B. W. — Hof 's-Hertogenbosch 29 Maart 1892; W. 6181; R. W. v. N. 743. Rechtb. Maastricht 17 November 1902; W. v. N. R. 1723.

420. Bij eene vordering tot revindicatie van onroerend goed moet het gerevindiceerd voorwerp zoo duidelijk en volledig in het exploit van dagvaarding zijn aangewezen, dat dit voorwerp alleen met behulp van die aanwijzing op het terrein zou kunnen worden gevonden en uitgebakend. Voldoet de dagvaarding niet aan dit vereischte, dan behoort de eischer, revindicant, niet ontvankelijk te worden verklaard in zijne vordering. — Rechtb. Zutphen 29 Januari 1891; W. v. N. R. 1154.

421. De man heeft het recht de goederen van den gemeenschappelijken boedel, die zich in het feitelijk bezit zijner vrouw bevinden en waarop hij revindicatoir beslag heeft doen leggen, van haar op te vorderen. — Rechtb. Haarlem 21 Maart 1893; R. W. v. N. 769.

422. Gebruik van eens anders eigendom is onrechtmatig en levert in den regel grond op tot schadevergoeding; echter niet als slechts enkele malen onrechtmatig gebruik is gemaakt van eens anders eigendom. — Hof Amsterdam 8 Maart 1895; W. 6682.

423. Iedere krenking van eigendomsrecht geeft recht om herstelling in vol genot van zijn eigendomsrecht te vorderen. Schadevergoeding ter zake van die krenking zal dan slechts verschuldigd zijn, als blijkt, dat inderdaad schade is geleden. — Rechtb. I trecht 13 November 1895; W. 6736.

424. Bij het bewezen zijn van den eigendom van eenige effecten is ook aan den eigenaar de vordering tot revindicatie dier fondsen terecht toegewezen, onafhankelijk van de vraag of de houder deze als lasthebber onder zich heeft. — H. R. 25 November 1898, concl. conf.; W. 7205; P. v. J. 1898, 95; v. d. H., B. R. LXIV, 418; N. R. CLXXX, 186.

Sluiten