Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezit tot het oogenblik der afschaffing hebbe voortgeduurd. — H. R 18 Januari 1886, concl. conf.; W. 5272; W. v. N. R. 863; v. d. H., J. en V. X, 1; N. R. CXLII, 40.

470. Bij de besluiten van 1814 en 1815 zijn de daarin bedoelde jachtrechten niet in hunnen vorigen rechtstoestand hersteld maar als gewone vermogensrechten aan de rechthebbenden teruggegeven. Een jachtrecht gaat als gewoon vermogensrecht tot genot van eens anders zaak te niet door non usus van dertig jaren. — H. R. 28 Maart 1890, concl. conf.; W. 5858; P. v. J. 1890, 58; W. v. N. R. 1078; v. d. H., B. R. LVI, 99; N. R. CLIV, 270.

471. Door de Koninklijke Besluiten van 1814 en 1815 zijn geene op zich zelf staande heerlijke jachtrechten hersteld. Een zoodanig zelfstandig jachtrecht, daargelaten of het geacht kan worden volgens oude rechtsbronnen reeds eene heerlijkheid daar te stellen, kan niet genoemd worden een jachtrecht aan eene heerlijkheid verbonden. — Hof 's-Hertogenbosch 8 November 1892; W. 6359.

472. Heerlijk jachtrecht rust zoowel op water als op land; verandering van het water in land hetzij door aanwas, hetzij door eenige andere oorzaak kan dus ook niet voorkomen, dat het jachtrecht op het land geworden water blijft rusten. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 2 Januari 1893; W. 6294.

473. Wijl het jachtrecht op gronden van derden een regaal recht was, moet blijken dat men het van den Souverein heeft ontvangen. Het bezit derhalve van eene heerlijkheid met hooge en lage jurisdictie zonder dat blijkt, dat men die met jachtrecht van den Souverein heeft verkregen, bewijst niet, dat men bevoegd

is op alle gronden in die heerlijkheid gelegen de jacht uit te oefenen. — Rechtb. Arnhem 2 October 1893; W. 6440.

474. Het heerlijk jachtrecht gaat te niet door praescriptie of non usus gedurende dertig jaren. De ondeelbaarheid en onverdeeldheid van het heerlijk jachtrecht over het geheele grondgebied der heerlijkheid heeft ten gevolge dat de uitoefening van dat recht op een deel, het te niet gaan van het geheel verhindert. — Hof 's-Hertogenbosch 16 Januari 1894; W. 6455; P. v. J. 1895,23.

475. De kennelijke bedoeling der Souvereine Besluiten van 1814 en 1815 is de bij de wet afgeschafte heerlijke jachtrechten te herstellen ten behoeve van hen, die zooals de considerans van het besluit van 1814 luidt „benadeelde eigenaren" waren. Daardoor is derhalve niet hersteld het heerlijk jachtrecht van hen, die sedert de afschaffing der heerlijke rechten bij overeenkomst daarvan vrijwillig afstand gedaan hebben. — H. R. 5 Mei 1895, concl. conf.; W. 6665; P. v. J. 1895, 55; v. d. H, B. R. LXI, 155, J. en V. XII, 53; N. R. CLXX, 18.

476. De eischer die eene rechtsvordering instelt tot handhaving in het bezit van een heerlijk jachtrecht moet bij tegenspraak het getituleerde bezit van dat jachtrecht krachtens de Souvereine Besluiten van 1814 en 1815 bewijzen. — Rechtb. Roermond 29 November 1895; W. 6805; P. v. J. 1896, 60.

477. De wettige possessie, waarvan de herstellingsbesluiten van 1814 en 1815 spreken, moet worden aangenomen, indien vast staat, dat het jachtrecht werd uitgeoefend en dat dit geschiedde door iemand, die liet recht door rechtmatige titels verkregen had. — Rechtb. Rotterdam 3 Februari 1899; W. 7260.

Sluiten