Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door een mede-eigenaar midden op het vlak van den gemeenen scheidsmuur eene verhooging ter dikte van een steen wordt geplaatst. — Hof Leeuwarden 28 Januari 1880; W. 4552. (Cassatie verworpen bij het volgende arr. H. R.)

673. Dit artikel kent aan iederen mede-eigenaar het recht toe den gemeenen muur voor zijne kosten hooger op te trekken en geeft dat recht onvoorwaardelijk, onafhankelijk van de omstandigheid of de andere eigenaar op of tegen den muur eenig werk heeft aangebracht of gebouwd. — H. R. 17 December 1880, concl. conf.; W. 4589; v. d. H., B. R. XLY, 397; N. R. CXXVI, 232.

674. Wanneer een der mede-eigenaren van een gemeenen muur, dezen hooger heeft doen optrekken en toen, wijl de oude muur niet in staat was om de verhooging te dragen, den muur van af den grond opnieuw heeft doen optrekken,

— dan wordt de andere eigenaar van den muur van zelf mede-eigenaar van den nieuwen muur tot op zijne oude hoogte, maar hij heeft ook geen recht op de afbraak van den ouden muur. — Rechtb. Amsterdam 16 Februari 1897; P. v. J. 1897, 54.

675. De wet bedoeld in de artt. 685 en 687 B. W. slechts eenen vroeger in zijn geheel gemeenen muur, die door verhooging door een der eigenaren slechts voor een deel gemeene muur is geworden.

— Rechtb. 's-Gravenhage 15 December 1908; W. 8807; W. v. Not. 181.

Art. 687.

676. Uit de woorden van dit artikel, in het bijzonder uit het woord „mits" vloeit niet voort, dat de betaling zelve

i aan het verkrijgen van den medei eigendom zoude moeten voorafgaan. De

mede-eigenaar van den muur, die niet tot de verhooging heeft bijgedragen, kan den mede-eigendom dier verhooging verkrijgen door eene aanzegging, dat hij gebruik maakt van zijn recht om den muur gemeen te maken, voorzoover hij niet gemeen is en zich bereid verklaart de helft van de onkosten voor het opbouwen van dien muur gemaakt, volgens plaatselijk gebruik te betalen, als de andere mede-eigenaar verzuimd heeft hem opgave dier kosten te doen en bij hem van onwil om die kosten te betalen, niet blijkt — Rechtb. Amsterdam 16 October 1894; W. 6701.

677. Onder verhooging moet worden verstaan elk hooger deel van eenen scheidsmuur, waarvan het onderste gedeelte tusschen eigenaren van aangrenzende perceelen gemeen is. — Rechtb. Amsterdam 26 April 1901; W. 7687; P. v. J. 1901, 88; Not. W. 120.

Art. 689.

678. Men kan niet gezegd worden in den zin van het eerste lid van dit artikel „een werk tegen diens muur" te hebben aangebracht, indien een schoorsteen of rookleiding wel op sommige punten den muur raakt, maar zelfstandig kan blijven staan, al werd ook de muur afgebroken. Een strookje muur, dat op eenen gemeenen scheidsmuur boven het dak van de eene partij tot dichtmaking van het dak der andere partij zoogenaamd koud is opgetrokken, d. i. niet in metselverband met den scheidsmuur, is in den zin der wet geen gemeene muur. — Hof Leeuwarden 28 Januari 1880; W. 4552.

679. Hij, die bij verbouwing van een perceel een gemeenen muur doet vernieuwen en verhoogen, tengevolge waarvan het perceel van den buurman komt

Sluiten