Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

open te liggen en aan den buurman schade wordt toegebracht, pleegt geen onrechtmatige daad. — Rechtb. Amsterdam 7 Februari 1882; R. B. 1882, A 134.

680. Aan deze bepaling ontleent een der naburen het recht om als de andere een gemeenen muur hooger wil optrekken te vorderen, dat dit zal geschieden op de wijze in deze bepaling omschreven. Hieruit volgt echter niet, dat hij dit recht nog heeft, als de nabuur na hem van zijne plannen tot optrekken te hebben onderricht zonder eenig verzet zijner zijde daartoe is overgegaan. In dat geval kan hij alleen vorderen vergoeding der schade welke het gevolg is van het feit, dat de opgetrokken muur den meerderen last niet kan dragen. — Rechtb. Amsterdam 31 October 1893; W. 6545; P. v. J. 1894, 13.

681. De holten in een gemeenen muur, gekapt om te dienen tot rookgeleidingen, zijn werken vallende onder het bereik van art. 689 al. 1 en niet van art. 684 B. W. Om die holten te mogen maken is toestemming van den mede-eigenaar noodig. De rechter is bevoegd om in plaats der wegruiming der holte een schadesom vast te stellen. — Hof's-Hertogenbosch 28 Februari 1893; W. 6364.

Art. 690.

682. Waar niet blijkt van een plaatselijk gebruik, regelende de wijze en de hoogte van afsluitingen, wordt door een staketsel van voldoende hoogte aan den eisch van dit artikel voldaan. Hof Arnhem 15 November 1882; W. 4875; R. B. 1883, A. 80.

683. Het recht op afsluiting ten gemeenen koste komt alleen en bij uitzondering toe aan buren in een stad, aaneengebouwde voorstad of aaneengebouwd dorp en aan geen ander. —

Rechtb. Winschoten 9 Januari 1884; W. 5047.

684. De vordering van dit artikel kan ook worden gedaan, wanneer een nog aanwezige heg in zoodanigen staat verkeert, dat zij niet meer tot afsluiting kan dienen. — Rechtb. Utrecht 18 Mei 1892; W. 6182; W. B. A. 2243.

Art. 691.

685. Een gebuur, die gebruik maakt van zijn recht om eene gemeene schutting door een gemeenen muur te vervangen, mag ook dien gemeenen muur voor de helft op den grond zijns buurmans plaatsen en is bevoegd de voor het bouwen van dien muur noodzakelijke werken — o.a. heien — op zijns buurmans grond te doen verrichten. — Rechtb. Rotterdam 19 Juni 1905; W. 8349; Not. W. 31.

Art. 692.

686. Het maken van eene deuropening in een muur, onmiddellijk grenzende aan eens anders erf en tegen diens wil, kan niet worden goedgemaakt door een beroep op de artikelen 692, 693 en 699 B. W. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 15 Juni 1883; W. 4925.

Art. 693.

687. Mr. Jac. W. van den Biesen. Benige beschouwingen over licht en uitzicht. — Them. XXXVIII no. 1.

688. Scheidsmuren. Art. 693 en volg. B. W. — Not. W. 170. — Eigendombeperking door nabuur-recht. — Not. W. 171.

689. H. J. W. Pelster. Licht en uitzicht naar de bepalingen van het Nederlandsch Burgerlijk Recht. — Ac. Pr. Amsterdam 1894 aangek, door Prof. mr.

Sluiten