Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

artikel of zelfs krachtens vergunning van hem, op wiens erf zij uitzicht gaven, aangebracht. — Rechtb. Winschoten 4 Juni 1890; W. 5902.

699. Met de uitdrukking „rechtstreeksche uitzichten" wordt bedoeld een onbelemmerd vrij uitzicht en met de woorden „vensters, waardoor men op eens anders erf ziet", ook in dit artikel voorkomende, zijn niet te verstaan de in eene veranda aangebrachte vensters, die door het daarvoor plaatsen eener schutting geen uitzicht meer geven op eens anders erf. — Rechtb. Amsterdam 22 Mei 1890; W. 5935; P. v. J. 1890, 96; R. W. v. N. 692.

700. Een uitzicht is in den zin der wet rechtstreeksch, als men staande recht voor en met het gelaat gewend naar het voorwerp, waardoor uitzicht wordt genoten en alsdan recht voor zich uitziende op het aangrenzend erf uitziet. — Rechtb. Amsterdam 8 Juni 1897; W. 6994; N. M. v. H. IX 250.

701. Het is niet geoorloofd een balkon te hebben aan den openbaren weg op minder dan twintig palmen afstands van de stoep zijns buurmans. — Rechtb. Groningen 27 Juni 1890 P. v. J. 1890, 66; T. A. R. YII 306.

702. Onder balkons in den zin van dit artikel moeten worden verstaan opene constructiën, die aangebracht geheel buiten aan een muur, naar haren aard naar alle zijden onbelemmerd uitzicht op het erf van den buurman geven, doch niet de vooruitspringende werken, die in hunne samenstelling omsloten zijn en deel uitmaken van een of meer vertrekken. — H. R. 12 Januari 1893 concl. conf.; W. 6294; P. v.J.1893,23; N. R. CLXIII 13; R. W. v. N. 761; v. d. H., B. R. LIX 1. Hof Leeuwarden

4 Mei 1892; W. 6221; P. v.J. 1892,44; R. W. v. N. 747 (met vernietiging van Rechtb. Groningen 27 Juni 1890; P. v. J. 1890, 66; T. A. R. VII, 306).

703. Als vaststaat, dat vensters zijn gemaakt in een door den buurman opgetrokken gedeelte van eene gemeenen muur, kan wel worden gevorderd, dat die vensters overeenkomstig de wet zullen worden ingericht maar niet dat zij geheel zullen worden gedicht. — Rechtb. 's-Gravenhage 27 December 1893; W. 6357.

704. Niet alleen het maken maar ook het hebben van uitzichten en vensters in strijd met dit artikel is verboden, weshalve de vordering uit dit artikel tegen den eigenaar van het huis, waarin zich de vensters bevinden, kan worden ingesteld — Rechtb. Arnhem 11 April 1895; W. v. N. R. 1341.

705. Onder „muur" in dit artikel is ook begrepen de nagenoeg rechtopstaande zijwand eener mansardekap. — Rechtb. Rotterdam 18 November 1901; W. 7737; Not. W. 137; P. v. J. 1903, 221.

706. Onder erf is niet te verstaan een schuinopstaand dak; wel daarentegen een plat dak tevens als zitplaats gebruikt. — Rechtb. Rotterdam 'F18 November 1901; W. 7737; Not. W. 137; P. v. J. 1903, 221.

707. Bij eenen muur staande circa een halven meter van het naburig erf zijn de artikelen 693 en 694 niet toepasselijk, maar is de eigenaar van dien muur bevoegd daarin zoodanige openingen te maken tot het scheppen van licht en lucht, als hem goeddunkt, mits niet in strijd met de bepalingen van artt. 695 en 696 B. W. Dit laatste is het geval bij ramen van doorzichtig glas, waarvan de doorzichtigheid alleen tijdelijk is weg-

Sluiten