Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amsterdam 28 Augustus 1877; N. R. B. 1878, A. 23.

715. De bewering, dat men het recht verkregen zoude hebben den muur in den tegemvoordigen toestand te houden, omdat hij reeds meer dan veertig jaren overhelde, is in strijd met dit artikel — Rechtb. Amsterdam 9 Augustus 1880; W. 4620.

716. Dit artikel moet aldus worden opgevat, dat de eigenaar van een erfde a motie van een muur van het naburige erf kan vorderen: lo. indien de muur, doordien hij uit eenigen hoofde dreigt in te storten, het naburige erf in gevaar brengt, of 2o. indien de muur enkel over het naburige erf heen hangt. — Rechtb. Groningen 6 November 1882; W. 5439.

717. Bij eene vordering op grond van dit artikel moeten alle mede-eigenaren van het naburig erf in het geding worden geroepen. — Rechtb. 's-Gravenhage 26 Juni 1894; W. 6549.

718. De strekking van dit artikel is om den nabuur te vrijwaren voor een dreigend gevaar van instorting; het is dus niet voldoende, dat de muur van liet eene erf over dat van den anderen nabuur heen hangt, maar het is noodig, dat die overhellende muur voor het naburige erf een dreigend gevaar voor instorting oplevert. Dit volgt niet per se uit het feit, dat een vrij dikke muur oud en bouwvallig is, over des buurmans erf heen hangt en aanmerkelijk uit het lood staat. — Rechtb. Zwolle 30 Juli 1903; W. 8082; P. v. J. 1903, 270; Not. W. 255.

719. Art. 702 B. W. gaat uit van het beginsel, dat over liet naburige erf overhellende muren, die of gevaar kunnen opleveren of hinder kunnen veroorzaken

niet zijn toegelaten en op de eerste aanvraag van den nabuur moeten worden afgebroken of hersteld, met het gevolg, dat bij niet-voldoening aan die aanmaning de nabuur uit art. 1277 B. W. het recht kan ontleenen om den rechter machtiging te vragen zoodanig afbreken of herstellen zelf te doen uitvoeren op kosten van den nalatige. Den nabuur staat het echter geenszins vrij eigenmachtig den overhellenden muur af te breken of te herstellen. Doet hij dat, dan kan zijn eigenmachtig optreden eene onrechtmatige daad opleveren, die tot schadevergoeding kan verplichten, maar in geen geval kan de nabuur veroordeeld worden om den ouden in strijd met art. 702 B. W. bestaanden toestand te herstellen. — Hof 's-Gravenhage 28 Januari 1907; R v. J. 1907, 670.

720. Het zonder toestemming van en overleg met den mede-eigenaar afbreken en door een nieuwen muur vervangen van den gemeenen muur levert een onrechtmatige schadetoebrengende daad op; afgezien van de vraag of de bedoelde muur al of niet overhing en of art. 702 B. W. toepasselijk is op alle overhangende muren, dan wel alleen op die welke gevaar opleveren voor het naburig erf, kon van gedaagde, die den gemeenen muur afbrak en door een nieuwen muur verving, niet worden gezegd, dat hij als negotiorum gestor de belangen van den mede-eigenaar waarnam, omdat hij in strijd met diens eigendomsrecht handelde. — Rechtb Amsterdam 15 Maart 1907; W. 8701.

Art. 703.

721. Uit art. 698 B. W. en de ratio legis volgt dat art. 703 B. W. niet van toepassing is op houten schuttingen. — Rechtb. Amsterdam 26 November 1878; P. v. J. 1879, 31.

Sluiten