Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

722. Dit artikel moet naar geschiedenis en strekking worden opgevat als verbiedende alleen het hebben der daargenoemde inrichtingen in de nabijheid van muren, die, of gemeen of eigendom van den nabuur zijn; niet ook in de nabijheid van andere afscheidingen, b.v. van hout. — Rechtb. Breda 11 November 1884; W. 5160.

723. Dit artikel verwijst alleen voor de daarbij speciaal opgenoemde gevallen naar plaatselijke verordeningen, dus voor zooveel betreft verzamelplaatsen, slechts voor die van bijtende stoffen, niet voor die van modder, vuil water enz. — Rechtb. Utrecht 6 December 1882; N. R. B. 1883, A. 83.

724. Hij, die de opruiming vraagt van een put, op grond, dat deze zou zijn aangelegd zonder inachtneming der tusschenruimte, voorgeschreven bij de bizondere verordeningen of gebruiken in dit artikel bedoeld, moet in de dagvaarding het tijdstip van aanleg vermelden. — Rechtb. Amsterdam 29 Maart 1888; P. v. J. 1888, 71.

725. De eigenaar van een erf tegen welks muur door den buurman een mestvaalt is aangelegd, heeft niet het recht te ageeren tot amotie der meststoffen. Hij kan alleen vorderen, dat zulke maatregelen worden genomen als gebruikelijk om alle schade voor zijn erf te voorkomen, opdat de andere verplichtingen Avorden nagekomen, bij dit artikel aan de eigenaars van naburige erven opgelegd. — Rechtb. Maastricht 31 Mei 1889; W. 5750.

726. Dit artikel is niet toepasselijk, als de daar bedoelde werken niet worden aangebracht bij een muur, maar bij de grens van twee perceelen waar zich geen muur bevindt. — Rechtb. Utrecht 18 Mei 1892; W. 6182; W. B. A. 2243.

Art. 704.

727. De eigenaar is niet verplicht om een riool, dat zicli op of in zijn grond bevindt en hem toebehoort, te herstellen. Wel zal hij aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade aan zijne naburen door het slecht onderhoud van dat riool veroorzaakt. — Rechtb. Amsterdam 8 Januari 1895; W. 6607.

Art. 706.

728. Het vermoeden van dit artikel moet zoo dikwijls gelden, als hij, die uitsluitenden eigendom beweert, in gebreke blijft dien te bewijzen. — Rechtb. Utrecht 1 Mei 1878; W. 4293.

729. De omschrijving in de koopakte, dat de aangrenzende erven strekken tot de helft der sloot is geen titel, dat de helft der sloot aan den aangrenzenden eigenaar behoort, maar heeft geene andere strekking dan om aan te duiden, dat de tusschen de respectieve erven gelegen scheidsloot niet is een uitsluitend tot een dier erven behoorende sloot. — Hof Amsterdam 16 Januari 1885; W. 5140; (met vernietiging Rechtb. Utrecht 21 Maart 1883; W. 4987; W. v. N. R. 771; R. B. 1883, A. 122).

730. Waar van twee naburen geen van beide zijn uitsluitend eigendomsrecht op een „wande" (volgens spraakgebruik te Groningen open ruimte tusschen twee gebouwen, bestemd om ten gerieve dier huizen te strekken) tusschen hunne perceelen kan bewijzen, moet die wande geacht worden gemeenschappelijk eigendom te zijn. — Rechtb. Groningen 20 Januari 1888; W. 5617.

731. Waar dit artikel een sloot tusschen twee erven als gemeen onderstelt, onderscheidt het niet tusschen een afscheidings- en een afsluitingssloot. —

Sluiten