Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door hem ingestelde bozitsvordering de gehoudenheid niet rust om aan te toonen, dat die grond ten onrechte op den legger zou zijn gebracht of om alvorens van den burgerlijken rechter te verkrijgen een hiertoe strekkende uitspraak met last tot afvoering van het perceel van den legger. — H. R. 3 Februari 1893; W. 6300; P. v. J. 1893, 29; N. R. CLXIII, 72; R. B. v. N. 763; v, d. H., B. R. LIX, 123.

826. Door de beslissing van het wettig administratief gezag, waarbij een polder op den ligger eener gemeente is gebracht als onderhoudsplichtige van eenen openbaren aan dien polder in eigendom toebehoorenden weg kan geen inbreuk zijn gemaakt op eenig burgerlijk recht aan dien polder toekomende. — H R. 20 Februari 1893; W. 6311; P. v. J. 1893, 26; N. R. CLXIII 130; v. d. H., G. Z. XL 206.

827. De onderhoudsplicht van een openbaren weg is eene publiekrechtelijke verplichting over welker bestaan de rechterlijke macht niet mag oordeelen; zij heeft de beslissing der administratieve autoriteit te eerbiedigen. — Rechtb. 's-Gravenhage 31 Mei 1894. Anders Kantong. Alfen 9 Maart 1894; W. 6523; P. v. J. 1894, 58; Gemst. 2238.

828. Onder onderhoud moet worden begrepen alles wat dient om den dijk aan zijne bestemming te doen beantwoorden en dus ook verzwaring van den dijk, indien zulks noodig is om den hoogen watervloed te kunnen keeren. — Hof 's-Gravenhage 16 Mei 1894; W. 6527; P. v. J. 1894, 59.

829. Een weg, die sedert veertig jaren als een openbare veld- en verkeersweg is gebruikt, begaan en met paard en karren bereden is een openbare weg.

Zoodanige feitelijke toestand sluit de mogelijkheid uit, dat iemand door een rustig openbaar ongestoord dertig-jarig bezit als eigenaar het grondstuk, waarover die weg loopt, vrij van den last van overweg zou hebben geusucapiceerd. — H. R. 19 November 1894; P. v. J. 1894, 102.

830. De bestemming van een voetpad tot algemeenen dienst, alzoo de openbaarheid van een voetpad kan niet door een legger worden bewezen. — H. R. 29 Juni 1896; W.6844; P. v. .J. 1896, 69.

831. De openbaarheid van weg kan tegenover iemand, die niet beweert eigenaar van den grond te zijn of eenig zakelijk recht op dien grond te hebben, behoudens tegenbewijs als bewezen worden aangenomen op grond van vermoedens geput uit het feit, dat de weg deel uitmaakt van het stratennet eener gemeente en voorkomt op den legger der openbare wegen. — H. R. 4 Mei 1900; W. 7449; P. v. J. 1900, 50; v. d. H, B. R LXVIX, 232; Gemst. 2549; W. B. A. 2683. In denzelfden zin Hof Arnhem 25 Mei 1904; W. 8099.

VIJFDE TITEL.

Van erfdienstbaarheden.

Eerste Apdeeling.

Van den aard en de onderscheidene soorten van erfdienstbaarheden.

Art. 721.

832. Erfdienstbaarheid of persoonlijke verplichting. — W. v. N. R. 1313.

833. Mr. J. C van Oven. Erfdienstbaarheden ten nutte van een erf. — W. v. N. R. 1984, 1985 en 1986.

Sluiten