Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid en kan dus niet door verjaring verkregen worden. — H. R. 28 December 1877, concl. conf.; W. 4198; W. v. N. R. 495; v. d. H., B. R. XLII, 495; N. R. CXVII, 288.

852. Uit al. 2 van dit artikel. volgt, dat het voor het voortdurend karakter eener erfdienstbaarheid niet noodig is dat het gebruik onafgebroken voortdure. — H. R. 2 November 1888, eoncl. conf.; W. 5632; P. v. J. 1888, 138; W. v. N. R. 998; v. d. H., B. R. LIV, 298; N. R. CL, 63.

853. De erfdienstbaarheid van beerput en van riool, dienende om hemel- en menagewater, fecaliën en andere vuile op het heerschend erf voortgebrachte stoffen te bewaren en af te voeren, zijn voortdurende erfdienstbaarheden. — Rechtb. 's-Gravenhage 10 Mei 1881; W. 4673. Bevestigd door Hof 's-Gravenhage 1 Mei 1882; W. 4763. H. R. 26 Januari 1883, concl. conf.; W. 4870; W. v. N. R. 753; N. R. CXXXIII, 60; v. d. H, B. R. XLVIII 121; R. B. 1883, A. 105; R. W. v. N. 467. H. R. 5 December 1902, concl. conf.; W. 7839; W. v. N. R. 1727; P. v. J. 1903, 203; Not. W. 171; N. R. CXI, 239; v. d. H., B. R. LXVIII, 464.

854. Eene erfdienstbaarheid van waterloozing is eene voortdurende, omdat haar gebruik voortduurt of kan voortduren zonder 's menschen toedoen. — H. R. 20 Februari 1890, concl. conf.; W. 5839; P. v. J. 1890, 42; W. v. N. R. 1059; R. W. v. N. 682; v. d. H, B. R. LVI, 53; N. R. CLIV 133; T. v. N. VIII, 7.

855. De erfdienstbaarheid van licht, lucht en uitzicht is eene voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid. — Hof 's-Gravenhage 11 Januari 1904; W. 8036; Not. W. 230.

Art. 725.

856. Onder zichtbare erfdienstbaarheden worden begrepen de zoodanige, voor welker uitoefening een werk wordt vereischt, dat uit zijn aard voor waarneming door het gezicht vatbaar is, onverschillig of dit steeds voor ieder zichtbaar is, dan wel tijdelijk of voortdurend op eenige wijze aan het oog onttrokken is. De erfdienstbaarheden van beerput en van riool, al zijn deze onder den grond, zijn zichtbare erfdienstbaarheden. — Rechtb. 's-Gravenhage 10 Mei 1881; W. 4673. Bevestigd door Hof 's-Gravenhage 1 Mei 1882; W. 4763; R. W. v. N. 464. H. R. 26 Januari 1883 > concl. conf.; W. 4870; R. W. v. N. 467; R. B. 1883 A. 105; N. R. CXXXIII, 60; v. d. H., B. R. XLVIII 121; W. v. N. R. 753. In denzelfden zin H. R. 5 December 1902, concl. conf. W. 7839; P. v. J. 1903, 203; W. v. N. R. 1727; Not. W. 171; N. R. CXI 239; v. d. H, B. R. LXVIII, 464.

857. Onder zichtbare erfdienstbaarheden moeten begrepen worden die erfdienstbaarheden, voor welker uitoefening een werk wordt vereischt, dat uit den aard voor waarneming vatbaar is, onverschillig of dit steeds voor ieder zichtbaar is dan wel op eenige wijze aan het oog is onttrokken. — H. R. 20 Februari 1890, concl. conf.; W. 5839; P. v. J. 1890, 42; W. v. N. R. 1059; R. W. v. N. 682; v. d. H., B. R. LVI, 53; N. R. CLIV, 133; T. v. N. VIII, 7.

858. Indien voor eene erfdienstbaarheid van waterleiding werken aanwezig zijn, is die erfdienstbaarheid eene zichtbare, ook al is een deel dier werken aan het oog onttrokken, omdat het zich onder den grond bevindt. — Rechtb. Rotterdam 28 November 1898; W. 7322.

Sluiten