Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

859. Noch de wet, noch de wetenschap leveren grond op voor de bewering, dat van een servituut, wil het zichtbaar zijn, door meer dan één uitwendig teeken moet blijken of dat zoodanig teeken zich juist op het dienstbaar erf moet bevinden. — Rechtb. Rotterdam 31 December 1894; W. 6615.

Art. 727.

860. H. A. Groote. Iets over erfdienstbaarheid van uitzicht en licht. — Ac. Pr. Amsterdam 1878.

861. E. C. M. G. Geradts. Eenige opmerkingen over licht en uitzicht. — Ac. Pr. Leiden 1880.

862. De bepaling in een koopakte, dat de kooper van het eerste perceel het recht zal hebben de bestaande lichten en uitzichten naar het tweede perceel te behouden, moet als eene vestiging van erfdienstbaarheid van licht en uitzicht ten nutte van het eerste en ten laste van het tweede perceel worden beschouwd. — Hof Arnhem 17 Januari 1883; W. 4900; W. v. N. R. 771; N. R. B. 1883, A. 108; R. W. v. N. 472. In denzelfden zin H. R. 7 December 1883, concl. conf.; W. 4982; R. W. v. N. 488; N. R. CXXV, 195; v. d. H., B. R. XLXIX, 63.

863. Begrip van erfdienstbaarheid van vrij licht volgens het oud-Hollandsch recht. — Rechtb. 's-Gravenhage 5 Mei 1885; R. W. v. N. 534.

864. Volgens het oud-Hollandsch recht sloot vensterrecht in zich het recht van vrij licht, dat is het recht om te verbieden, dat de buurman met getimmerten of boomen het scheppen van licht belet. — Rechtb. 's-Hertogen bosch 2 Maart 1883; W. 4951; N. R. B. 1883, A. 119; R. W. v. N. 482.

865. Waar het recht, bij dit artikel bedoeld, bij titel is gevestigd, is de eigenaar van het dienstbaar erf onbevoegd om zoodanig te bouwen, dat daardoor het scheppen van licht en het uitzicht voor het heerschend erf verminderd wordt, ook al is dit verbod niet uitdrukkelijk in den titel opgenomen. — H. R. 15 Mei 1891, concl. conf.; W. 6041; P. v. J. 1891, 48; W. v. N. R. 1136; R. W. v. N. 720; v. d. H., B. R. LVII, 187. Hof Leeuwarden 7 Januari 1890; W. 6038; P. v. J. 1891, 40; vernietigende Rechtb. Winschoten 4 Juni 1890; W. 5902.

866. Eene erfdienstbaarheid van licht en lucht op zich zelf is niet voldoende, om den eigenaar van het dienstbaar erf te belemmeren in zijne vrijheid, om daarop te bouwen op eene wijze, waardoor de eigenaar van het heerschende erf in de uitoefening van zijn licht- en luchtrecht wordt gestoord. — Rechtb. Amsterdam 27 Januari 1904; W. 8093; Not. W. 263; W. v. N. R. 1832.

867. Als de titel, waarbij eene erfdienstbaarheid van licht wordt gevestigd, inhoudt, „zullende op gemelde plaats geene heiningen, muren of andere zaken mogen worden daargesteld, waardoor het licht wordt belemmerd" mag op de gemelde plaats alles worden gebouwd, wat men wil, mits het gebouwde het licht niet belemmert — Rechtb. Rotterdam 29 Mei 1893; P. v. J. 1898, 71.

Art. 730

868. De erfdienstbaarheid van gootrecht bevat niet het recht om op het dienstbaar erf een goot te hebben, toebehoorende aan den eigenaar van het heerschend erf. Hij, die door verjaring het recht heeft verkregen water en vuilnis door een op het lijdend erf aanwezige goot af te voeren, heeft verkregen

Sluiten