Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veranderingen als waardoor de uitoefening der erfdienstbaarheid verminderd of ongemakkelijker gemaakt wordt. — Hof Leeuwarden 18 Januari 1905; W. 8239.

887. Wanneer een onderdeel eener erfdienstbaarheid bestaat uit het vrije gebruik van en de vrije doorgang door eene deur in eene schutting op het dienstbare erf dan is de eigenaar van het dienstbare erf onbevoegd om die deur met een slot af te sluiten en den sleutel ter beschikking van den eigenaar van het heerschend erf te stellen, zoo dikwijls deze zulks verlangt. — Rechtb. Amsterdam 28 Maart 1906; W 8518.

Tweede Afdeeling.

Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden worden daargesteld.

Art. 742.

891. Een ten behoeve van een derde gestipuleerde erfdienstbaarheid, ook al is de titel ingeschreven, doet het zakelijk recht niet geboren worden indien niet blijkt, dat de eigenaar van het begiftigde erf die voor zijn erf gunstige bepaling heeft aangenomen. — Rechtb. Breda 11 Mei 1897; W. 7064; T. v. N. XVI, 89.

892. Waar de verkooper van één pand, dat pand in perceelen in veiling brengt en daarbij voorwaarden stelt, die het vestigen van een erfdienstbaarheid beoogen, en waar de koopers der panden, waarin het ééne pand werd gesplitst, den koop en de levering aanvaarden op die voorwaarden, daar wordt het procesverbaal van veiling en afslag terecht aangemerkt als te zijn een titel, waarbij tengevolge van wederzijdsche wilsuiting van verkoopers en koopers de bij de voorwaarden omschreven erfdienstbaarheid in het leven wordt geroepen. — Rechtb. Rotterdam 21 Maart 1898; W. 7161; T. v. N. XVII, 132.

893. Wanneer partijen bij het aangaan eener overeenkomst optreden „als eigenaar hunner perceelen", in die overeenkomst zeggen dat „partijen hunne opvolgende eigenaren der perceelen onderwerpen aan de gemaakte bedingen" en ten slotte den titel in de openbare registers laten inschrijven, dan is klaarblijkelijk niet eene persoonlijke verbintenis maar de vestiging eener erfdienstbaarheid bedoeld. — Rechtb. Breda 22 Mei 1906; W. 8499.

De eigenaar van het heerschend

erf, ageerende uit art. 739 B. W. heeft te bewijzen, dat op het lijdend erf aangebrachte veranderingen hem benadeeld hebben. — Rechtb. Rotterdam 2 December 1907; W. 8782; W. v. N. R. 2040 (met aanteekening in W. v. N. R. 2040 van Prof. mr. J. F. Houwing).

Art. 740.

889. Het recht om op eens anders grond een beerput te hebben geeft aan den eigenaar van het heerschend erfde bevoegdheid om tot het ledigen en onderhouden van dien beerput toegang te hebben tot dien put op het dienstbare erf. — Rechtb. Utrecht 20 Januari 1904; W. 8050.

Art. 741.

890. De vorderine- tot, prkpnnintr rW

0

erfdienstbaarheid van weg behoeft niet tegen alle eigenaren van het lijdend erf, maar kan tegen een hunner worden ingesteld. — Rechtb. Breda 4 Januari 1887; R W. v. N. 698. Hof's-Hertogenbosch 28 Juni 1887; R. W. v. N. 616.

Sluiten