Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toevoeging uier andere dubbelzinnig worden. — H. R. 2 Februari 1894, concl. conf.; AV. 6462; AV. v. N. R. 1267; P. v. J. 1894, 25; v. d. H., Reg. VII, 221; N. R. CLXYI, 114; P. W. 8559. Ilechtb. Breda 28 Maart 1893; P. v. J. 1S94, 25; P. W. 8400.

1120. Indien in een testament wordt gesproken van wettige kinderen, dan zijn de „gewettigde" kinderen daaronder begrepen. -— Rechtb. 's-Hertogenbosch 28 December 1894; W. 6621; T. v. N. XIII, 162.

Art. 933.

1121. Mr. H. S. Eene toepassing van art. 933 B. W. — W. v. N. R. 1152.

1122. Als de woorden eener uiterste wilsbeschikking voor meer dan ééne uitlegging vatbaar zijn, bestaat geen op de wet steunende reden, waarom tot opsporing van de bedoeling des erflaters, de wilsbeschikking waarover geschil, niet zou mogen worden vergeleken met die welke in een vorige akte van uitersten wil gemaakt is. — Hof 's-Hertogenbosch 13 October 1891; R. W. v. N. 740.

1123. Indien de woorden eener uiterste wilsbeschikking voor meer dan ééne uitlegging vatbaar zijn, maar het mogelijk en waarschijnlijk is, dat partijen bij machte zijn om aan den rechter te doen blijken van omstandigheden die met zekerheid de bedoeling des erflaters aan het licht kunnen brengen, kan daaromtrent getuigenbewijs worden toegelaten. — H. R. 20 Februari 1903, concl. conf.; W. 7884; W. v. N. R. 1746; Not. AV. 186; P. v. J. 1903, 232; N. R. CXCIII, 260; bevestigende Hof Amsterdam 14 Maart 1902; AV. 7779; Not. AV. 151. Rechtb. Breda 20 Mei 1890; AV. 5906; AV. v. N. R. 1087; R. AV. v. N. 687.

1124. De uitlegging van een testament is volgens de wet geheel vrij gelaten

aan den rechter, die over de feiten oordeelt en de juistheid dezer uitlegging mag in cassatie niet onderzocht worden.

H. R. 1< Juni 1904, concl. conf.; AV. 8082; AV. v. N. R. 1805; Not. AV. 262. In denzelfden zin H. R. 18 Januari 1878; AV. 4210.

Art. 935.

1125. De voorwaarde aan een legaat verbonden dat de legataris na het overlijden zijns vaders afstand zal doen van diens nalatenschap, is niet in strijd met de wet of de goede zeden. — Rechtb. Arnhem 4 Mei 1882; AV. 4842.

1126. De beschikking van een erflater, inhoudende, dat al hetgeen zijne dochter van zijne nalatenschap zal erven, geen deel zal uitmaken van de tusschen haar en haren echtgenoot bestaande gemeenschap van goederen is in strijd met de wet en moet dus voor niet geschreven worden gehouden. — Rechtb Utrecht 31 Maart 1897; AA^. v. N. R. 1434. Rechtb. Dordrecht ] 7 Mei 1899; W. 7335; Not, AV. 3. (Zie aant. 431—433 deel I).

Tweede Afdeeling.

Van de bekwaamheid om bij uitersten wil te beschikken of daaruit voordeel te genieten.

Art. 942. (1)

1127. Het getuigenbewijs met betrekking tot de vraag of de erflater in het bezit was van zijne verstandelijke vermogens is niet beperkt tot het oogenblik van het maken van zijnen uitersten wil, maar kan ook worden uitgestrekt tot den toestand des erflaters vóór, omstreeks en na het oogenblik van het verlijden dier akte. — Rechtb. Leeuwarden 8 April 1886; AV. 5458; R. AV. v. N. 600: T. v. N. 208.

deelt en de juistheid dezer uitlegging

(1) Zie aant. 1568—1572 doel 1

Sluiten