Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op eene vroegere weigering tot machtiging terug te komen en die machtiging later nog te verleenen. — H. R. 11 Maart 1864; W. 2571; v. d. H., B. R. XXVIII, 947; N. R. LXXVI, 288.

1143. Mr. E. P. Schorer. Weigering der Koninklijke machtiging tot aanvaarding van een legaat, gemaakt aan eene instelling van liefdadigheid, op grond, dat het een verboden erfstelling over de hand zou zijn. — W. 4942; Gemst. 1675.

1144. Openbare instellingen, godsdienstige gestichten, kerken of armeninrichtingen zijn, zoolang zij de bij dit artikel vereischte machtiging niet hebben verkregen, niet onbekwaam in den zin van art. 958 B. W.; dus is eene uiterste wilsbeschikking aan een tusschenpersoon gemaakt, niet nietig, — H. R. 15 Mei 1881; N. R. B. 1883, A. 14; R. W. v. N. 417; v. d. H., B. R. 1729, 332.

1145. De Koninklijke machtiging bij dit artikel voorgeschreven, wordt voor de instellingen niet vereischt om haar bekwaam te maken om te erven, maar de erfstelling blijft buiten gevolg, voorzoover de machtiging niet is verkregen. De verkregen machtiging werkt achteruit tot op den dag, waarop de erfenis is opengevallen. — Rechtb. Rotterdam 5 April 1897; W. 7051; P. v. J. 1897, 72; T. v. N. XVI, 1.

1146. Door de bepaling van art. 194d der Gemeentewet is deze bepaling ten aanzien van burgerlijke gemeenten gewijzigd. — Gemst. 1535.

1147. v. D. Makingen en schenkingen aan gemeenten (artt. 947 en 1717 B. W.; art. 194 litta. c en d der Gemeentewet.)

Volgens S. moeten zoowel de Koning als de Gedeputeerde Staten machtiging

i tot aanvaarding verleenen.

1148. X. Wanneer eene erfstelling heeft plaats gehad ten behoeve van een der instellingen, opgenoemd in art. 947 B. W., en op verzoek van een der erfgenamen bij versterf krijgt het bestuur slechts machtiging tot aanneming van de helft, wie krijgt dan de andere helft?

Volgens Mr. A. J. B. Rijke alle erfgenamen volgens hunne erfportiën bij versterf. — W. v. N. R. 1508.

Art. 949. (1)

1149. Do artt. 236 en 949 B. W. staan met elkander in zoo nauw verband dat waar eenmaal de door de wet bij art. 236 gestelde grens is bereikt, op grond van art. 949 die grens niet mag worden overschreden. — H. R. 24 Juni 1881, concl. conf.; N. R. CXXVIir, 238; v. d. H. B. R. XLVI, 480; met bev. Rechtb. 's-Gravenhage 29 April 1881; W. v. N. R. 627. Rechtb. Rotterdam 21 Februari 1881; W. 4621; W. v. N. R. 586; N. R. B. 1881, A. 95.

1150. De artt. 236 en 949 B. W. houden verband met elkaar, zoodat de tweede echtgenoot, die uit de gemeenschap het geoorloofde maximum van voordeel genoten heeft, niet ook nog uit testamentaire beschikkingen voordeel trekken mag. — Rechtb. Arnhem 30 Mei 1904; W. 8199; W. v. N. R. 1814; Not. W. 261.

1151. Wanneer de gemeenschap in tweede huwelijk bij helft wordt gedeeld, kan de tweede echtgenoot krachtens testament nog genieten het verschil tusschen hetgeen hem tengevolge van eene verdeeling volgens artt. 236 en 949 te zamen zou toekomen en de voormelde helft. — M. F. 2 April 1891, no. 8; P. W. 8189. In denzelfden zin M. F. 4 December 1894, no. 9; P. W. 8640.

(1) Zie aanteekening 699 deel I.

Sluiten