Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mentaire beschikkingen, welke aan de legitieme portie van den gefailleerde schaden. — Rechtb. Zutphen 2 October 1879; N. R. B. 1880, B. 327.

1238. De curator van den in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwden gefailleerde is, als diens vertegenwoordiger, bevoegd de vermindering te vragen van eene uiterste wilsbeschikking, waardoor aan de vrouw van den gefailleerde haar recht op het wettelijk erfdeel wordt ontnomen. — Rechtb. Maastricht 13 December 1884; N. R B. 1885, D. 136; R. W. v. N. 532.

1239. De curator mag de vordering instellen waarbij de legitieme portie van den in staat van faillissement verklaarde wordt opgevraagd. Hij mag dit alleen in die gevallen, waarin de daartoe strekkende actie nog door den in staat van faillissement verklaarde, indien deze niet van het beheer zijner goederen was ontzet, zou kunnen worden ingesteld. — Rechtb. Groningen 9 Maart 1888; W. 5642; R. W. v. N. 688.

1240. De curator in een faillissement is bevoegd de actie tot inkorting in te stellen, zoo het wettelijk erfdeel van zijn gefailleerde is verkort.

De legitimaris moet worden beschouwd als erfgenaam en is dus bevoegd boedelscheiding te vragen, nu vast staat voor hoeveel zijn legitieme werd verkort. Bij de berekening van het door de legatarissen terug te geven bedrag kunnen niet in aanmerking komen de op het legaat vallende successierechten. — Rechtb. 's-Gravenhage 13 December 1899; W. 7389; P. v. J. 1901, 70; Not. W. 16; P. W. 9270.

1241. De curator in het faillissement van den legitimaris kan de actie van

dit artikel instellen, als begrepen onder de daarbij bedoelde rechthebbenden. — H. R. 31 Januari 1902, concl. conf.; W. 7709; W. v. N. R. 1682; Not. W. 127; P. W. 9934; N. R. CXC, 113; P. v. J. 1902, 119; met vernietiging Hof 's-Gravenhage 13 Mei 1901; W. 7618; W. v. N. R. 1656; P. v. J. 1901, 70; P. W. 9366; Not. W. 97.

1242. Prof. mr. H. J. Hamaker. Nog eens de vraag of de curator in een faillissement bevoegd is de aan den failliet in eene nalatenschap toekomende legitieme op te vorderen. Bevestigend beantwoord. — W. v. N. R. 1659.

1243. R. S. Iets over de actie tot inkorting ingeval van faillissement van den legitimaris. (S. kent den curator de actie tot inkorting niet toe). — Not. W. 24.

1244. Niet de legataris, die afgifte van een legaat vordert, maar de legitimaris, die benadeeling stelt tengevolge van schulden, die zijn wettelijk erfdeel aantasten en die op grond daarvan de inkorting vordert, moet bij betwisting van het bestaan dier schulden het bewijs leveren dat die schulden wel bestaan en dientengevolge het legaat niet integraal beschikbaar is. — Hof Leeuwarden 17 Januari 1894; W. 6509; W. v. N. R. 1264; P. v. J. 1894,11; met vernietiging van na te melden vonnis Rechtb. Leeuwarden.

1245. Een legataris kan de bewering der legitimarissen, dat door het legaat hun legitieme is verkort, niet ter zijde stellen met de enkele bewering dat eene door de erfgenamen in het passief opgenomen schuld niet bestaat. — Rechtb. Groningen 23 Juni 1893; W. v. N. R, 1255; P. v. J. 1893, 81.

Sluiten