Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nalatenschap kunnen het bedrag, dat één hunner in privé aan den boedel wegens vervallen huurpenningen verschuldigd is, niet in compensatie brengen met hetgeen die executeur in privé van den boedel te vorderen heeft. Executeuren in een beneficiair aanvaarde nalatenschap mogen uit die nalatenschap geene uitkeeringen doen aan de erfgenamen ten hunnen behoeve, maar enkel uitgaven doen ten behoeve der nalatenschap zelve. — Rechtb. 's-Gravenhage 28 Juni 1895; W. 6835; W. v. N. R. 1383; T. v. N. XIV, 360.

1505. Een executeur-testamentair is rekenplichtig bij het ophouden van zijn beheer, onverschillig of dit samenvalt met de boedelscheiding en onverschillig ook of hij zelf tot de codividenten behoort. — Rechtb. Groningen 23 October 1896; W. 6984; T. v. N. XV, 238.

1506. Door executeuren-testamentair worden terecht in rekening onder de posten van uitgaaf opgenomen de uitgaven, geschied ten behoeve van en aan de beneficiaire erfgenamen, en moeten deze sommen nader door die erfgenamen aan de schuldeischers van den beneficiair aanvaarden boedel worden verantwoord. — Hof 's-Gravenhage 28 Juni 1897; W. 7016; W. v. N. R. 1464; T. v. N. XV, 403.

1507. De executeur-testamentair is bevoegd inschulden der nalatenschap op te zeggen; deze aldus liquide temaken. Art. 1061 B. W. ontneemt hem die bevoegdheid niet. — Rechtb. Amsterdam 12 October 1897; W. v. N. R. 1463.

1508. Tot grondslag van de door eenen executeur-testamentair af te leggen rekening en verantwoording kan behalve eene boedelbeschrijving volgens de wettelijke voorschriften opgemaakt ook

dienen een staat, waarin, zonder dat deze voor het overige aan de vereischten eener boedelbeschrijving voldoet, de boedel met dezelfde nauwkeurigheid is beschreven, als dit in eene boedelbeschrijving behoort te geschieden. — Hof Arnhem 25 April 1900; W. 7480; Not. W. 51.

1509. De gerechtigden in eenen boedel hebben tegen den executeur-testamentair geen andere vordering dan die tot rekening en verantwoording en kunnen dus na afloop van diens beheer de goederen, die hij als zoodanig onder zich heeft, niet door middel eener revindicatie van hem terugvorderen. — Rechtb. Amsterdam 5 November 1902; W. 7887; Not. W. 187.

Art. 1063.

1510. Volgens deze bepaling kan slechts dan een van de twee of meer benoemde executeurs alleen handelen, wanneer de ander afwezig of uit anderen hoofde b.v. door ziekte onbekwaam is om te handelen, maar niet wanneer de een of de ander of alle te zamen het blootelijk willen. — M. F. 30 Juli 1863, no. 150; P. W. 4366.

Art. 1066.

1511. H. J. Ladenius. Opmerkingen over art. 1066 B. W. — Ac. Pr. Leiden 1879.

1512. Het bewindvoerderschap volgens art. 1066 B. W. — R. en W. XXVIII, 61.

1513. J. A. Luijsterburg. Bewindvoerders. (S. bespreekt eenige vragen, waartoe dit onderwerp aanleiding geeft, als: Door wie kan eene onder bewind gestelde zaak worden verkocht? Wat moet geschieden als de door den erflater benoemde bewindvoerder komt te overlijden of als meerdere bewindvoerders zijn aangesteld en een daarvan ontbreekt? Op welke wijze moet een bewindvoerder

Sluiten