Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare kracht, ook al had dit recht van substitutie zijn oorsprong in de testamentaire beschikking, waarbij het bewind werd ingesteld. — H. R. 27 December

1901, concl. conf.; W. 7702; P. v. J.

1902, 117; N. R. CLXXXIX, 417.

1555. G. Belinfante. Welk recht hebben erfgenamen tegen den executeur-testamentair, die, geen saisine hebbende, nalatig blijft in de vervulling zijner verplichtingen? Ingevolge art. 1069 j° 437,3° B. W. zijne afzetting vragen. — W. 4579.

VEERTIENDE TITEL.

Van het reclit van beraad en het voorrecht van boedelbeschrijving.

Art. 1070.

1556. H. Th. van Geuns. Aantee-

Vomnffon r\i~\ rl o ovft 1070 1 07.^ WT

Hl IIVi JLV/IV-» 1V/I W . U ■

— Ac. Pr. Utrecht 1882. Beoordeeld door mr. N. F. van Nooten. — Them. XLIII, 609.

1557. J. Loeff. Het recht van beraad.

— Ac. Pr. Leiden 1885.

1558. S. Creutz. De exceptie van beraad. — Ac. Pr. Leiden 1891.

1559. De erfgenaam, die gebruik maakt van het recht van beraad is inmiddels bevoegd in verzet te komen tegen een bij verstek tegen den erflater gewezen vonnis. — Rechtb. Amsterdam 5 Mei 1887; P. v. J. 1888, 11.

1560. De erfgenamen, die ter griffie de verklaring hebben afgelegd, dat zij verkeeren in termen van beraad, ontleenen daaraan een grond om in verzet te komen tegen een na het afleggen der verklaring tegen hen bij verstek gewezen vonnis, ook al was de oorspronkelijke dagvaarding vóór het afleggen der ver-

Chemf.bs, Aant. B. w.

klaring uitgebracht. Indien zij echter concludeeren tot niet-ont vankelij k-verklaring of ontzegging van den eisch, gedragen zij zich als zuivere erfgenamen en mogen zij zich niet weer op het recht van beraad beroepen. — Rechtb. Amsterdam 5 April 1892; P. v. J. 1893, 33.

1561. Zoolang de erfgenamen niet ter griffie hebben verklaard, dat zij verkeeren in termen van beraad, kan op grond van het verkeeren in termen van beraad geen vordering tegen hen als erfgenaam gericht, niet ontvankelijk worden verklaard. — Rechtb. 's-Gravenhage 12 November 1895; W. 6836.

1562. Het uitbrengen der verklaring, dat erfgenamen zich beraden, is aan geen termijn gehouden. Hij die zich op een dergelijke verklaring beroept, is niet verplicht, daarvan bewijs te leveren. Hij, die verklaart te zijn in termen yan beraad, moet van de instantie worden ontslagen en behoort het geding niet te worden geschorst. — Kantong. Groenlo 14 April 1896; W. 6828; W. v. N. R. 1392.

Art. 1072.

1563. Eene, na eene tegen den erfgenaam uitgebrachte dagvaarding gedane verklaring van beraad, maakt de bij die dagvaarding ingestelde vordering niet niet-ontvankelijk. — H. R. 9 Mei 1902, concl. conf.; W. 7768; P. v. J. 1902, 158; N. R. CXCI, 26; v. d. H., B. R. LXVIII, 218.

Art. 1075.

1564. J. H. Worst. Het rechtskarakter der beneficiaire aanvaarding. — Ac. Pr. Amsterdam 1891.

1565. De zelfstandige afwikkeling een er beneficiair aanvaarde nalatenschap door een der erfgenamen. — Not. W. 28.

21

Sluiten