Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1566. Mr. Paul Scholten. De praeadviezen over de beneficiaire aanvaarding. (Naar aanleiding van de praeadviezen van mr. Ph. B. Libourel en G. Vos in de algemeene vergadering der Broederschap van Candidaat-Notarissen op 15 Juli 1907.) — W. v. N. R. 1957 en 1958.

1567. Iets over beneficiaire aanvaarding door den voogd. — W. v. N. R. 818.

1568. De voogd kan slechts dan geacht worden een aan den onder zijn bestuur staande minderjarige opgekomen erfenis onder voorrecht van boedelbeschrijving overeenkomstig art. 459 te hebben aanvaard, indien hij daarvan ter griffie der Rechtbank eene verklaring heeft afgelegd, zooals dit bij art. 1070 zonder eenig voorbehoud wordt gevorderd. — H. R. 12 Januari 1877, concl. conf.; W. 4076; W. v. N. R. 448; v. d. H., B. R. XLII, 20. (Zie aanteekeningen nrs. 1428—1443, Deel I.)

1569. De wet kent geen stilzwijgende aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving. — Hof 's-Hertogenbosch 10 Maart 1885; W. 5219; R. W. v. N. 546.

Art. 1076.

1570. De erfgenaam, die goederen eener nalatenschap verkoopt, gedraagt zich als zuiver erfgenaam en verliest daardoor de bevoegdheid om die nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden; wordt niettemin door zulk een erfgenaam de verklaring van art. 1075 B. W. afgelegd, dan is deze van rechtswege nietig. — Rechtb. Alkmaar 2 Juni 1881; W. 4708 ; R. W. v. N. 429.

1571. Latere aanvaarding eener nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving werkt terug tot den

dag, waarop de erfenis is opengevallen. Een derde heeft geen belang bij niet aanvaarding eener erfenis; alleen de meerderjarig geworden pupil kan daarop beroep doen. — Rechtb. Zutphen 6 Januari 1887; W. 5445; W. v. N. R. 927; R. W. v. N. 597.

Art. 1077.

1572. Het feit dat alleen een onderhandsche rekening en verantwoording is afgelegd, doet het voorrecht van boedelbeschrijving niet verloren gaan. — Rechtb. Middelburg 16 October 1895; W. 6806; W. v. N. R. 1388; T. v. N. XIV, 102.

1573. Het willens en wetens niet brengen van schuldbekentenissen op den inventaris kan alleen dan verlies van het voorrecht van boedelbeschrijving tengevolge hebben, wanneer dit daarenboven geschiedt te kwader trouw, zijnde de duidelijke strekking van art 1077 B. W. om te bepalen, dat oneerlijke handelingen den beneficiairen erfgenaam het voorrecht doen verliezen, doch niet handelingen en daden van beschikking, door hem te goeder trouw gedaan, zelfs niet, wanneer die handelingen en daden strijden met de rechten van de crediteuren van den beneficiairen erfgenaam, en aan deze eene vordering zouden geven wegens schuld aan hen veroorzaakt ten gevolge van de niet-naleving der voorschriften aan den beneficiairen erfgenaam ten aanzien van de vereffening van den boedel gegeven. Mitsdien gaat het voorrecht van boedelbeschrijving niet verloren door het niet op den inventaris brengen van vorderingen en het verscheuren van desbetreffende schuldbekentenissen, wanneer dit geschiedde in de overtuiging, dat die vorderingen aan den erflater waren voldaan. — Hof Arnhem 20 December 1905; W. 8379; W. v. N. R. 1906; W. v. Not. 39.

Sluiten