Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFTIENDE TITEL.

Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen.

Eerste Afdeeling.

Van het aanvaarden van erfenissen.

Art. 1092.

1637. De voogd, die heeft medegewerkt tot de scheiding van een aan zijne pupillen opgekomen erfenis, zonder die te hebben aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving, is de grenzen van zijn bevoegdheid te buiten gegaan en de minderjarigen hebben bij hunne meerderjarigheid op grond daarvan het recht de nietigverklaring van die scheiding te vorderen. — Kechtb. Zutfen 21 Februari 1884; W. 5070; W. v. N. R. 749; R. W. v. N. 512.

1638. Mr. P. van Bemmelen. Bij zuivere aanvaarding door den voogd van een aan zijnen pupil opgekomen nalatenschap is de aanvaarding van kracht, de zuiverheid van rechtswege nietig. De ex-pupil is alzoo bevoegd, niet om te verwerpen, maar om alsnog zuiver of onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden. De door den

voogd verrichte posterieure daden van erfgenaamschap zijn geldig, zoo ze overi¬

gens aan de wettelijke vereischten voldoen. Ook de voogd kan na de zuivere aanvaarding nog onder beneficie aanvaarden. — Them. 1885, 222.

1639. Ook de minderjarige erfgenaam moet als zuiver erfgenaam worden aangemerkt, als niet blijkt dat de erfenis door hem verworpen is, noch dat voor hem van het recht van beraad of van aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving is gebruik gemaakt. — Hof 's-Hertogenbosch 10 Maart 1885; W. 5219; R. W. v. N. 546.

1640. H, J. van Doorn B. Az. Een en ander over eene nalatenschap, opgekomen aan eene in wettelijke gemeenschap gehuwde vrouw. — Not. W. 245.

Art. 1094.

1641. Eene verschijning voor den kantonrechter na eene dagvaarding ij geen uitdrukkelijke aanvaarding van een erfenis overeenkomstig dit artikel.

— Rechtb. 's-Gravenhage 13 Januari 1883; W. 4853.

1642. Hij, die in eene akte van toestemming tot de doorhaling eener hypothecaire inschrijving de hoedanigheid van erfgenaam heeft aangenomen, moet niettegenstaande zijne vroegere verklaring van verwerping der erfenis ter griffie der Rechtbank uitgebracht, beschouwd worden als erfgenaam te hebben aanvaard. — Rechtb. Winschoten 25 Juni 1890; W. 6001; R. W. v. N. 707; W. v. N. R. 1136; T. v. N. IX, 21.

1643. Het door een erfgenaam tot zich nemen van enkele goederen, behoorende tot de huwelijksgemeenschap zijner ouders, waarvan de nalatenschap een deel uitmaakt kan niet worden beschouwd als een daad van aanvaarding.

— Rechtb. 's-Gravenhage 3 Maart 1896; P. v. J. 1896, 28.

1644. De aanvaarding eener nalatenschap kan niet worden afgeleid uit een brief, door den advocaat der erfgenamen aan een derde, die tegen de nalatenschap wil optreden, gericht, waarin die advocaat zelfstandig bemiddelend optreedt en wel spreekt van erven, maar klaarblijkelijk niet om een qualiteit zijner clienten aan te geven, doch alleen om personen aan te duiden. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 22 November 1898; W. 7223; W. v. N. R. 1519.

Sluiten