Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1645. Eene akte, houdende niet alleen eene erkenning eener schuld als boedelschuld, maar daarenboven de verklaring, dat die schuld alsnog aan den geldschieter verschuldigd is, alles met belofte van rentebetaling en regeling van opeischbaarheid, behelst eene onvoorwaardelijke erkenning van schuld, die in strijd is met de rechten, die een erfgenaam aan eene aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving zou kunnen ontleenen. Eene dergelijke akte, opgemaakt met medewerking van en onderteekend door een erfgenaam moet dan ook worden aangemerkt als eene daad waartoe de erfgenaam bevoegd zou zijn en die zijne meening om de erfenis zuiver te aanvaarden noodzakelijk aan den dag legde. Hierin wordt geene verandering gebracht doordat tusschen erfgenaam en schuldeischer was afgesproken, dat die akte alleen moest dienen om het bedrag der vordering van den schuldeischer vast te stellen. — H. R. 6 December 1901, concl. conf ;W. 7696; P. v. J. 1902, 105; Not. W. 123; N. R. CLXXXIX, 311; v. d H., B. R. LXVII, 604.

1646. Het betalen eener schuld des boedels door den erfgenaam bewijst op zich zelf niet het aanvaarden der nalatenschap. — Rechtb. Amsterdam 10 October 1902; W. 7889; Not. W. 187.

1647. Het indienen eener memorie van successie is geen daad van aanvaarding der nalatenschap. De betaling eener schuld uit de nalatenschap is geen daad van aanvaarding, indien die schuld betaald is, nadat tegen hem die betaalde, de actie tot scheiding en deeling der nalatenschap is ingesteld. Het door den erfgenaam die een nalatenschap verworpen heeft, daarna instellen der vordering tot scheiding en deeling der nalatenschap, is als eene uitdrukkelijke

aanvaarding te beschouwen. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 7 Maart 1890; \V. 6015; W. v. N. R. 1131; R. W. v. N. 713; T. v. N. IX, 183.

1648. Als daad van aanvaarding eener nalatenschap kan niet worden beschouwd het in rechten verschijnen op eene vordering tot scheiding en deeling dier nalatenschap. — Rechtb. Arnhem 5 Februari 1903; W. 7925; W. v. N. R. 1762; Not. W. 202.

1649. Schoon eene dagvaarding tot scheiding en deeling eener nalatenschap zeker in zich sluit aanvaarding van die nalatenschap, zoo kan daarom niet gezegd worden, dat een erfgenaam alleen door tegen zijne mede-erfgenamen eene actie tot scheiding en deeling in te stellen, het recht verbeurt om later nog rechtsgeldig de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden. Immers nergens is bepaald, dat men eene erfenis aanvaardende, tevens ook de keus moet doen tnsschen de beide wijzen van aanvaarding (zuiver of onder voorrecht van boedelbeschrijving) zoodat men uitdrukkelijk of stilzwijgend aanvaardende, vrij blijft zich verder als zuiver aanvaarder te gedragen, maar evenzeer ter griffie der Rechtbank de verklaring af te leggen dat men beneficiair aanvaardt. — Hof Arnhem 9 Juli 1905; W. 8275; W. v. N. R. 1869; Not. W. 8; met bevestiging Rechb. aldaar 3 December 1904. Vernietigd bij het volgende arrest H. R.

1650. Wie eene actie tot scheiding en deeling eener nalatenschap instelt, moet geacht worden die nalatenschap zuiver te hebben aanvaard. — H. R. 4 Mei 1906, concl. conf.; W. 8376; P. v. J. 1906, 545; W. v. Not. 42; N. R. CCIII, 1. Anders Rechtb. Arnhem 12 Juli 1895; W. 6686; W. v. N. R. 1337.

Sluiten