Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maart 1895; W. 6679; P. v. J. 1895, 35; bevestigd door Hof Amsterdam 19 Juni 1896; W. 6849; T. v. N. XIV, 156, tevens beslissende, dat het aan die ten onrechte als erfgenamen beschouwde personen toegekende en uitgekeerde, rechtens aan de erfgenamen toekomende, op hunne daartoe strekkende vordering zal behooren te worden uitgekeerd door degenen, die ten onrechte in het bezit daarvan blijken te zijn.

1699. Wie verklaart van zijne medegerechtigden in een onverdeelden boedel een zekere som geld te hebben ontvangen en daartegen afstand doet van zijne rechten op dien boedel, heeft, wat hem aangaat, een volkomen geldige scheiding en deeling tot stand gebracht. Van een afstand van het recht om scheiding en deeling te vorderen, kan dan ook geen sprake zijn. — Rechtb. Rotterdam 1 Mei 1893; W. 6350; P. v. J. 1893, 71; T. v. N. XI, 96; R. W. v. N. 773.

1700. Aan het woord „akte" in dit artikel moet niet de beteekenis worden gehecht van eene schriftelijke akte, maar van eene handeling. — Rechtb. Amsterdam 12 April 1898; W. 7172.

Art. 1116. (1)

1701. Ten aanzien van goederen, die aan de vrouw zijn opgekomen en niet tot de gemeenscha]) behooren, is zij persoonlijk bevoegd, de scheiding te vorderen of mede tot stand te brengen, hetzij bijgestaan door haren man, hetzij gemachtigd door den rechter. — H. R. 15 December 1881; N. R. CXXIX, 193.

1702. De man in gemeenschap van goederen gehuwd, aan wiens echtgenoote eene erfenis is opgekomen, is bevoegd

als hoofd der echtvereeniging de vordering tot scheiding en deeling der nalatenschap in te stellen, ook als des erflaters testament het deel van die echtgenoote in de nalatenschap aan de huwelijksgemeenschap onttrekt, doch in die nalatenschap mede begrepen is het onbeschikbaar wettelijk erfdeel dier echtgenoote. — Rechtb. 's-Gravenhage 12 Juni 1894; W. 6711.

1703. Art. 1116 al. 2 B. W. is ook toepasselijk in het geval eener voortgezette gemeenschap. — Hof 's-Gravenhage 19 Januari 1904; W. 8058.

1704. De aan eene in gemeenschap van goederen gehuwde vrouw ten deel gevallen nalatenschap behoort, ook vóór de boedelscheiding aan de gemeenschap, en dus niet alleen aan de vrouw, maar ook aan den man. Hieruit volgt, dat de boedelscheiding niet zonder medewerking van den man kan tot stand komen, dat hij in de actie tot boedelscheiding zijne vrouw bijstaat, is niet voldoende. — Rechtb. Middelburg 19 Februari 1896; W. 6775; W. v. N. R. 1374; Mb. Dw. XI, 12 en XII, 2; T. v. N. XIV, 77.

Art. 1117. (1)

1705. De onzijdige persoon, in dit artikel bedoeld, kan een ander als lasthebber in zijne plaats stellen. — W. v. N. R. 676.

1706. H. P. M. Kraakman. Boedelscheiding met daartoe onwilligen. — Ac. Pr. Alkmaar 1893. Aangekondigd door H. B. Gottmer in W. v. N. R. 1227.

1707. De rechter is bevoegd, behalve door de benoeming van een onzijdig

(1) Zie aanteek. nrs. 1450—1460, deel I.

(1) Zie aanteek. nrs. 1623 en 1624, deel I.

Sluiten