Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1772. Waar ingevolge dit artikel van den rechter bevel wordt gevraagd tot den openbaren verkoop van een aan één meerder- en één minderjarige gezamenlijk toebehoorend onroerend goed, ten einde de schulden der tusschen hen bestaande gemeenschap te kunnen betalen en deze te kunnen scheiden en deelen, is de, Arrondissements-Rechtbank en niet de Kantonrechter bevoegd om van het daartoe strekkend verzoek kennis te nemen. — Hof Leeuwarden 27 December 1888. Anders Rechtb. Groningen 14 December 1888; W. 5733; P. v. J. 1899, 18.

1773. Niet art. 33, alm. 4, der wet van 27 April 1884 (St. no. 96), doch art. 1122 B. W. is toepasselijk, indien onroerend goed toebehoort aan een krankzinnige, over wien een provisioneele bewindvoerder is benoemd, met anderen. — Rechtb. Arnhem 22 Maart 1900; W. 7448; Not. W. 28.

1774. De woorden in dit artikel „als anderszins" hebben niet uitsluitend betrekking tot een vereffenings- of scheidingsbelang; zij mogen ook worden uitgestrekt tot elk geval, waarin het belang der deelgerechtigden den verkoop der daartoe behoorende onroerende goederen eischt of wenschelijk maakt. — Hof Amsterdam 10 April 1891. Anders Rechtb. Alkmaar 21 Maart 1891; W. 6023; W. v. N. R. 1116; R. W. v. N. 713; T. v. N. IX, 80.

1775. Bij de beslissing op een verzoek tot bevel van verkoop van onverdeeld onroerend goed moet het belang des boedels, niet dat der deelgenooten wegen. Om de deelbaarheid van onroerend goed aan te nemen, is het niet noodig, dat alle deelgenooten evenveel krijgen. — Hof Leeuwarden 4 Januari 1892; P. v. J. 1892, 10.

1776. De speculatieve waarde van eenig bestanddeel des boedels maakt het ongewenscht, dat bestanddeel in zijn geheel aan een der gerechtigden toe te deelen en kan mitsdien grond opleveren tot een bevel tot verkoop krachtens dit artikel. — Hof Arnhem 15 Januari 1896; vernietigende vonnis Rechtb. aldaar

19 December 1895; W. 6855; T. v. N. XIV, 120.

1777. Wanneer eenig vast goed aanvankelijk door meerdere personen is aangekocht tot het maken van een door hen te zamen aangenomen werk, dan kan, nadat dat werk is beëindigd, die aanvankelijke bestemming niet worden aangevoerd voor de bestrijding van een verzoek tot bevel van verkoop van het vast goed. — Rechtb. Arnhem 29 September 1905; W.8536; W.v.N. R. 1962; W. v. Not. 95. Bevestigd door Hof aldaar 18 Januari 1906; W. 8536; W. v. N. R. 1962; W. v. Not. 95.

1778. In dit artikel is geen spraak van eenige beperking tot een zoogenaamd liquidatiebelang. Integendeel is deze bepaling zeer algemeen en behoeft voor hare toepassing alleen vast te staan, dat het belang van den boedel en dus van de rechthebbenden op dezen, den verkoop eischt of noodzakelijk maakt. — Hof Amsterdam 14 Januari 1898. Anders Rechtb. Alkmaar 20 December 1897; W. 7100; W. v. N. R. 1476; T. v. N. XVI, 271, 277.

1779. Het bevel tot verkoop bedoeld in art. 1122 B. W. kan worden gegeven, niet slechts tot betaling van boedellasten of tot behoorlijke verdeeling des boedels, maar ook ter verwezenlijking van ieder ander boedelbelang, waartoe het noodig mocht blijken. — Hof 's-Gravenhage

20 November 1899, met vernietiging Rechtb. aldaar 24 October 1899; W. v. N. R. 1567.

Sluiten