Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ceelen zijn in beslag genomen, is dat beslag nietig, indien aan een derde bij eene nadere akte, strekkende tot aanvulling eener akte van scheiding en deeling tusschen den geëxecuteerde en dien derde, die perceelen zijn toebedeeld, al is die nadere akte van latere dagteekening dan het executoriaal beslag, zoo aangenomen moet worden, dat die derde sedert een tijdstip, antérieur aan het gelegde beslag den eigendom der perceelen heeft gehad. — Rechtb. Amsterdam 12 Mei 1891; W. 6116.

1826. Wanneer aan een vennoot tevens erfgenaam van zijn mede-vennoot, bij de scheiding en deeling der vennootschap en der nalatenschap van laatstgenoemde al de baten der vennootschap worden toebedeeld, dan moet hij geacht worden daarin onmiddellijk bij het overlijden van den medevennoot te zijn opgevolgd en kan hij de er aan verbonden rechten uitoefenen, ook zonder eene beteekening als bedoeld in art. 668 B. W. — Rechtb. Amsterdam 29 Mei 1907; W. v. N. R. 2006.

1827. Dit artikel geldt ook als de goederen der nalatenschap zijn verkocht en mitsdien aan de deelgerechtigden geld is toebedeeld. — Hof 's-Hertogenbosch 19 April 1892; W. 6374; P. W. 8396.

Art. 1130.

1828. Ch. A. Henny. Opmerkingen over art. 1130 B. W. — Ac. Pr. Leiden 1884.

1829. De vordering ex art. 1130 B. W. tot voldoening van het onbetaald geblevene van een schuldvordering den eischer bij de boedelscheiding toebedeeld, moet worden ingesteld tegen alle codividenten gezamenlijk en dus ook tegen de erfgenamen van dien codivident, die

vóór den dag, waarop hij werd gedagvaard, is overleden. — Hof Leeuwarden 10 September 1879; W. 4499.

1830. Als de deelgenooten bij eene akte van boedelscheiding verklaren, „dat zij de nalatenschap finaal hebben gescheiden, elkander deswege quiteerende zonder eenige reserve", dan is de eene deelgenoot niet bevoegd later tegen den anderen eene actie in te stellen wegens eene vordering ten laste der nalatenschap. — Kantong. Groningen 15 December 1888; W. 5672.

1831. Waar bij de akte van boedelscheiding de erfgenamen hebben verklaard voor elkander uitdrukkelijk in te staan, zoowel voor de tegenwoordige als de toekomstige gegoedheid der debiteuren van de bij die akte verdeelde hypothecaire obligatiën en onderhandsche schuldbekentenissen en de schade, die op een of meer daarvan te eeniger tijd mocht worden geleden, onderling en wel ieder pro rato van het hem in den verdeelden boedel toekomend aandeel te zullen dragen, daar is die clausule op alle toebedeelde hypothecaire obligatiën en onderhandsche schuldbekentenissen toepasselijk en kan de verjaring der vordering tot vrijwaring op grond van dit artikel niet worden ingeroepen. Voor de toepasselijkheid van dit artikel betrekkelijk de vrijwaring voor de gegoedheid van schuldenaren door mede-erfgenamen, bepaalt de wet niet dat hij, die zijne mede-erfgenamen in vrijwaring oproept na de executie der hypothecair verbonden perceelen van den debiteur, ingeval van te geringe opbrengst bevorens ook op de overige goederen en inschulden van den debiteur zijne vordering moet trachten te verhalen. — Rechtb. Haarlem 18 April 1893; W. 6517; W. v. N. R. 1291.

Sluiten