Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870. Dit artikel is niet van openbare orde, zoodat, als het testament ervan afwijkt, dat testament behoort te worden nagekomen. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 7 Maart 1902; W. v. N. R. 1692. Vernietigd bij het volgende arrest.

1871. Alleen de legitimaris kan zich beroepen op het voorschrift van dit artikel. — Hof 's-Hertogenbosch 11 November 1902; W. 7859; W. v. N. R. 1735; Not. W. 178.

Art. 1135.

1872. Betaling van een schuld der dochter, door de moeder gedaan, die daarvoor borg gebleven was, levert volgens dit artikel grond op tot een verplichting om het bedrag dier betaling in de moederlijke nalatenschap in te brengen. De kinderen der dochter, die de nalatenschap hunner moeder aanvaardden onder benefice en thans bij plaatsvervulling als erfgenamen opkomen in de nalatenschap hunner grootmoeder, behoeven echter niet meer in te brengen, dan het dividend, dat de nalatenschap zal blijken op te leveren. — Rechtb. Middelburg 16 October 1895; W. 6806; W. v. N. R. 1388. (Bestreden door Prof. mr. H. J. Hamaker in W. v. N. R. 1388.)

1873. De wet stelt geen tijd wanneer

— noch een termijn, waarbinnen de verwerping eener erfenis moet plaats hebben. Nergens verbiedt zij de in art. 1135 al. 4 B. W. toegestane verwerping door een kind van de nalatenschap zijner ouders alsnog te doen tijdens de likwidatie der grootouderlijke nalatenschap, nadat het kind de zekerheid heeft bekomen dat die verwerping hem als erfgenaam zijner grootouders zal baten.

— Hof Arnhem 29 November 1905; W. 8329; W. v. N. R. 1886; W. v. Not. 18. Rechtb. aldaar 12 December 1904; W. 8195; W. v. N. R. 1849; Not. W. 293;

(met aanteekening van A. C. de Wilde in W. v. N. R. 1849).

Art. 1137.

1874. P. J. B. Rechtsvraag betreffende den inbreng van eene schenking door een in gemeenschap gehuwd man van goederen uit de gemeenschap, (met antwoord van Prof. mr. H. J. Hamaker). - W. v. N. R. 1556.

Een Notaris. Huwelijksgemeenschap en inbreng. (Over dezelfde vraag met antwoord van mr. A. J. B. Rijke). — W. v. N. R. 1561.

1875. Ph. B. Libourel. Over inbreng naar aanleiding van art. 1137 B. W. — W. v. N. R. 1754 en 1755.

1876. De schenking door den vader tijdens zijn in gemeenschap van winst en verlies aangegaan tweede huwelijk aan de kinderen uit zijn vroeger huwelijk gedaan, moet door dezen in de vaderlijke nalatenschap voor het geheel, de schenking aan zijn kind uit het tweede huwelijk door dat kind slechts voor de helft worden ingebracht. — M. F. 12 April 1888, no. 11; P. W. 7660; R. W. v. N. 646.

1877. Ten onrechte leidt men uit art. 1137 al. 2 B. W. af, dat deschuldeischers van den boedel geen voordeel kunnen genieten van inbreng; dit artikel bepaalt enkel dat zij de rechtsvordering daartoe niet kunnen instellen. — Rechtb. Arnhem 3 Juli 1896; W. 6854; W. v. N. R. 1392; T. v. N. XIV, 365.

Art. 1139.

1878. Ingeval vast goed krachtens art. 1132 B. W. moet worden ingebracht doch reeds door den betrokken erfgenaam aan derden is verkocht, zal die inbreng in geld moeten geschieden. — Hof 's-Hertogenbosch 19 Maart 1907; W. 8598; W. v. N. R. 1990.

Sluiten