Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1142.

1879. De verkoop eener hofstede tegen een bepaalden prijs, door den vader aan een zijner kinderen, onder bepaling, dat die koop en verkoop eerst volkomen zal zijn en effect sorteeren bij het overlijden des verkoopers, is geen aan inbreng onderworpen gift of schenking onder levenden of verschaffing van een bedrijf. — Rechtb. Zierikzee 23 November 1881; W. 4648.

1880. De gefailleerde koopman kan zich niet op liet accoord beroepen om zich te onttrekken aan de verplichting tot inbreng, hem bij dit artikel opgelegd. Zelfs de vrijwillige toetreding van den erflater tot een accoord mag niet doen veronderstellen diens bedoeling om den gefailleerde vrij te stellen van die verplichting. — H. R. 1 Februari 1895, concl. conf.; W. 6626; W. v. N. R. 1312; P. v. J. 1895, 27; N. R. CLXIX, 115; T. v. N. XIII, 38; v. d. H., B. R. LXI, 56; bevestigende Hof 's-Hertogenbosch 24 Juli 1894; W. 6536; W. v. N. R. 1302.

1881. Gelden, verstrekt aan kinderen voor hun bedrijf en tot betaling van schulden en waarvan zijn afgegeven schuldbekentenissen, houdende verplichting van rentebetaling, zijn niet te beschouwen als schenkingen. Hierin wordt geene verandering gebracht doordat art. 1142 B. W. zoodanige geld verstrekkingen aan inbreng onderwerpt; daaruit toch volgt alleen, dat de wet die geldverstrekkingen, voor wat aangaat de verplichting tot inbreng, gelijk stelt met schenkingen, allerminst dat het inderdaad schenkingen zijn. — Rechtb. Leeuwarden 9 October 1902; W. 7842; W. v N. R. 1739; Not. W. 173; P. W. 9491. Vergel. nr. 1873 Hof Arnhem 29 November 1905 en Rechtb. aldaar 12 December 1904 beslissende dat in casu verstrekkingen

van geld door een vader aan zijn zoon geldleeningen waren en geen giften.

Deze uitspraken werden bestreden door A. Moll. Schenking of geldleening. — Not. W. 303.

1882. Gelden door een ouder aan zijn kind tot betaling van schulden geleend, moeten niet worden ingebracht, maar behooren als schuld te worden verrekend. —■ Rechtb. 's-Hertogenbosch 6 December 1899; W. 7495; Not. W. 62.

Art 1144.

1883. Uit dit artikel volgt niet, dat de inbreng op een bepaalden tijd moet geschieden. — H. R. 21 Juni 1878; v. d. H., B. R. XLIII, no. 1607, 275.

Dekde Aedeeling.

Van de betaling der schulden.

Art 1146.

1884. De aanneming van een legaat, waaraan de erflater den last heeft verbonden zijne schulden te betalen, brengt voor den legataris de persoonlijke verplichting mede om aan vorderingen der schuldeischers tot betaling gevolg te geven, al mochten de schulden het bedrag van het legaat te boven gaan. De legataris kan zich aan die betaling niet onttrekken door de bewering dat de schuldeischer zijne vordering tegen de erfgenamen had moeten instellen. — Rechtb. Zutfen 17 April 1879; W. 4439.

1885- Uitgaven ten nutte des boedels gedaan door eene moeder-voogdes die den tusschen haar en hare kinderen onverdeelden boedel beheert, kunnen bij de gerechtelijke scheiding in het passief des boedels worden gebracht. — H. R. 14 November 1884; W. 5095.

Sluiten