Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft geen belang dat ook de andere erfgenamen in het geding als medegedaagden worden opgeroepen. — Rechtb. Amsterdam 24 September 1891; W. 6319; W. v. N. R. 1234.

1895. Zoolang de boedel van de echtgenooten is onverdeeld, zijn ingevolge art. 1147 jo. art. 1113 B. W. de erfgenamen van den overleden echtgenoot gezamenlijk aansprakelijk voor de uitbetaling van een gelegateerde lijfrente, met de voldoening waarvan die echtgenoot belast was en kunnen zij mitsdien ook gezamenlijk tot dit einde in rechten worden opgeroepen. — Hof's-Hertogenbosch 5 Maart 1907 met vernietiging Rechtb. Maastricht 25 Januari 1906); W. 8705; W. v. N. R. 2032; W. v.Not. 151.

Art. 1153.

1896. J. Wolft'. Het recht van boedelafscheiding (patrimoniorum separatie). — Ac. Pr. Leiden 1879.

1897. C. J. van der Muelen. Iets over boedelafscheiding. Aanteekening op art. 1153 B. W. — Ac. Pr. Utrecht 1882.

1898. Tegen personen, die tijdens het uitbrengen der dagvaarding niet met name bekend zijn, kan eene rechtsvordering slechts dan worden ingesteld als de wet dit bij uitzondering toelaat. Mitsdien moet nietig worden verklaard de dagvaarding, waarbij in rechten geroepen worden de niet met name genoemde schuldeischers van eenige met name genoemde erfgenamen, ten einde te hooren uitspreken de boedelafscheiding van dit artikel. — Rechtb. Amsterdam 24 April 1894; P. v. J. 1894, 101.

VlEKDE AFDEELING.

Van de vernietiging van aangegane boedelscheiding.

Art. 1158.

1899. Mr. A. E. Schouten. Benadeeling (Over de vraag of de echtgenoot, die krachtens art. 186 B. W. na de scheiding der huwelijksgemeenschap wordt aangesproken voor eene schuld voor zijn huwelijk aangegaan eene rechtsvordering op grond van art. 1158 no. 3 B. W. kan instellen, welke vraag S. ontkennend beantwoordt.) — W. v. N. R. 1772.

1900. Waar een codivident beweert, benadeeld te zijn en op dien grond nietigverklaring der boedelscheiding vordert, welke boedel voor de helft is toebedeeld aan iemand, wiens erfgenaam hij later met een ander geworden is, behoeft hij zich zelf niet als erfgenaam van zijn codivident te dagvaarden. Hij moet echter die qualiteit in de dagvaarding opgeven. — Rechtb Amsterdam 23 November 1880; W. 4671.

1901. De wet, de nietigverklaring eener boedelscheiding alleen toelatende in de bij dit artikel genoemde gevallen en alzoo niet wegens dwaling sluit niet uit, dat de scheiding om andere redenen in een of ander opzicht geen rechtsgevolg kan hebben. — H. R. 10 Maart 1882; W. 4757.

1902. Indien tusschen personen, die alle sui juris zijn, eene boedelscheiding is tot stand gekomen, waarmede zij uitdrukkelijk verklaren genoegen te nemen dan kunnen zij later niet de vernietiging dier boedelscheiding vragen op grond van eene rechtsdwaling. Hof Amsterdam 26 Juni 1899; W. 7314; W. v. N. R. 1518.

Sluiten