Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 573 B. W. aangegeven begrip te vallen, dienen of gediend hebben voor het gebruik, waarvoor het verhuurde moet dienen; het strekt zich mitsdien ook uit tot een gasmotor, welke gediend heeft om in werking te brengen eene koelmachine voor den door den huurder in het gehuurde perceel gedreven wildhandel. — Rechtb. Amsterdam 26 October 1904; P. v. J. 1905, 441.

1989. Onjuist is de bewering, dat voor het voorrecht des verhuurders bezit der invecta noodig zou zijn, daar, wat daaromtrent vroeger moge gegolden hebben, thans alleen de aard der vordering beslist. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 8 Februari 1907; P. v. J. 625.

1990. Het privilegie des verhuurders op de invecta en illata vervalt, indien deze door verkoop en levering het onroerend goed heeft overgedragen op een derde, welke laatste in de rechten en verplichtingen van den vroegeren verhuurder getreden is. Bij faillissement van den huurder kan buiten den curator om, dit privilegie worden uitgeoefend, op de goederen van derden, welke zich op het verhuurde bevonden. — Hof 's-Hertogenbosch 27 October 1908; W. 8814.

Art. 1188.

1991. De woorden in dit artikel „aan een derde op een andere wijze verbonden", moeten worden opgevat in dezen zin, dat de huurder eigenaar moet zijn gebleven van de goederen, waarop de wet den verhuurder toestaat zijn bevoorrechte schuld te verhalen. — Rechtb. Leeuwarden 29 Mei 1884; W. 5115; R. W. v. N. 522. Bev. door Hof. aldaar 3 December 1884; W. 5211; R. W. v. N. 548.

1992. De verhuurder kan zijn recht van privilegie doen gelden binnen den bepaalden termijn, ook dan als de goederen in dit artikel bedoeld, buiten zijne toestemming zijn vervoerd door den kooper der goederen, die ze te goeder trouw kocht en vervoerde. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 23 Mei 1890; W. 5886; R. W. v. N. 684.

1993. De verhuurder behoudt zijn voorrecht op alle goederen, die tot stoffeering voor het gehuurde huis dienen; ook nadat zij zijn verkocht en vervoerd.

— Rechtb. Utrecht 11 Juli 1894; W. 6537; Mb. Dw. X, 8.

1994. Hij, die het pandbeslag voor de huurpenningen eener hofstede van waarde wil doen verklaren, moet bewijzen, dat de gearresteerde goederen binnen veertig dagen na het vervoer van de hofstede, in beslag genomen zijn. — Rechtb. Assen 13 Juni 1881; W. 4815.

1995. De opeisching in dit artikel bedoeld, moet plaats hebben op de gewone wijze bij artt. 1 en 2 Rv. bepaald. Het woord „mits" is de voorwaarde zonder welker vervulling het pandbeslag niet kan worden van waarde verklaard.

— Rechtb. Amsterdam 7 Maart 1889; W. 5722; P. v. J. 1889, 62.

1996. Onder „gerechtelijke opeisching" bedoeld bij art. 1188 B. W. wordt verstaan het pandbeslag voor huren en pachten gelijk dat bij de artt. 758 en volg. Rv. is geregeld. — Rechtb. Zwolle 6 Maart 1907; W. 8748; W. v. N. R. 2046. — Rechtb. Rotterdam 29 Juni 1900; W. 7498; Not. W. 58.

1997. Het beslag voor huurpenningen is nietig en van onwaarde, als het niet

Sluiten