Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2050. Ceelen, waarbij de houder gerechtigd wordt verklaard, bepaalde goederen te ontvangen, vertegenwoordigen die goederen en treden daarvoor in de plaats. Verpanding van zulk een ceel is tevens verpanding van de daarin genoemde goederen en behoudt dat karakter, indien zij aan den uitgever van de ceel zelf is gedaan. — Rechtb. Amsterdam 29 Mei 1896; W. 6860; W. v. N. R. 1404; P. v. J. 1896, 70.

2051. Mr. H. J. Tasman. Verpanding van gestolen of verduisterde effecten. — W. v. Not. 16 en 17.

2052. De pandhouder is niet bevoegd om de afgifte der hem in pand gegeven zaak aan den bestolen rechthebbende afhankelijk te stellen van eene teruggave van het op het pand verstrekte voorschot. — H. R. 15 April 1904, concl. conf.; W. 8061; W. v. N. R. 1798; P. v. J. 1904, 353; N. R. CXCVI, 527.

2053. Wanneer een pandhouder de zee-documenten (waaronder de cognossementen) betreffende eene aan hem verpande partij graan, aan een ander heeft afgegeven, heeft hij dat graan niet meer in zijne feitelijke macht, en is mitsdien krachtens art. 1198 al. 3 B. W. het pandrecht teniet gegaan. In zoo'n geval kan de in art. 1198 al. 4 B. W. aan den pandhouder gegeven vordering ook niet worden ingesteld, daar van eene ontvreemding of verlies in den zin van dat artikel geen sprake is, maar de cognossementen vrijwillig door den pandhouder uit handen zijn gegeven. — Hof 's-Gravenhage 18 Juni 1906; W. 8439; N. M. v. H. XVIII, 202.

2054. Wanneer de eigenaar en de pandhouder van een in eenzelfde schip ingeladen partij graan, hunne belangen opdragen aan dezelfde controleursfirma,

en deze weer de lossing en overlading heeft opgedragen aan denzelfden graanfactor, dan gaat daardoor het pandrecht des pandhouders niet verloren. — Rechtb. Rotterdam 22 Mei 1905; W. 8355.

Art. 1198 bis.

2055. A C. Mulder. De rechten van den voorschotgever op aan zijn order afgegeven incasso's. — Ac. Pr. Amsterdam 1888.

2056. Dit artikel vordert uit den aard der zaak alleen voor dat papier aan order endossement, dat zonder endossement niet kan worden overgedragen, dus niet voor een blanco door den inlader afgeteekend cognossement, dat, al luidt het ook aan order als gevolg dier afteekening in blanco, voor overdracht geen endossement behoeft. — Rechtb. Rotterdam 12 November 1898; W. 7249.

2057. Pandrecht op papier aan toonder wordt wel gevestigd door overgifte van dat papier gepaard met endossement, maar dit neemt niet weg, dat een en ander moet geschieden krachtens een behoorlijk pandovereenkomst. Dit laatste moet worden aangenomen als cognossementen zijn overgegeven en geëndosseerd bij het disconteeren van niet geaccepteerde wissels, getrokken ten einde betaling te erlangen van waren, waarop de cognossementen betrekking hebben. — Hof Amsterdam 28 Juni 1900; N. M. v. H. XII, 241.

2058. Pandrecht op de in een cognossement bedoelde goederen wordt gevestigd door overgifte van het cognossement met endossement aan den nieuwen houder krachtens de overeenkomst van verpanding. — Rechtb. Amsterdam 26 April 1902; W. 7833; N. M. v. H. XIV, 292.

Sluiten